De targets van de psychotherapeut

Sinds ik me kan herinneren, bezoek ik ieder jaar de boekenbeurs met mijn moeder. Het is een traditie die we beiden erg zijn gaan koesteren. Hoewel ik deze leuke dag omwille van corona jammer genoeg zal missen dit najaar, moet ik toegeven dat ik vaak ook last ervaar van onze bezoeken aan Antwerp Expo.

Wat is er nu lastig aan een namiddagje gezellig kuieren tussen de boeken, vergezeld met mijn lieftallige mama? Klinkt super toch? De geur van nieuwe boeken. De zoektocht naar nieuwe verhalen, verborgen binnen prachtig gedecoreerde boekenkaften. Een lekker hapje, een gezellig babbeltje. En de anticipatie om mijn vondsten bij mijn thuiskomst te lezen en in mijn kleine bibliotheek te herbergen.

Toch wandel ik er sinds een aantal jaren rond met een knoop in de maag. Een knoop die, sinds mijn opstart als therapeut, ieder jaar strakker en meer storend lijkt te worden.

Zou het kunnen dat de uitstalling van duizenden boeken me confronteert met de onmogelijkheid om ze allemaal te kunnen lezen? Een confrontatie met miljoenen, biljoenen, miljarden, triljarden pagina’s van mijn onwetendheid? Het is een lastig iets, onwetendheid. En toch zijn er ook voordelen verbonden aan ‘niet weten’. Wat niet weet, niet deert bijvoorbeeld. Of het ‘niet-weten’. Een therapeutische vaardigheid, toch?

Torenhoge stapels zelfhulphandleidingen

Zo leert men in de opleiding tot (systemisch) psychotherapeut veel over de kunst van het ‘niet-weten’. Raar misschien, om een opleiding te volgen die ons leert om niet te weten. Het staat in schril contrast met de vele boeken die men treft op de boekenbeurs. Boeken die het tegendeel lijken te insinueren. Boeken die wél lijken te weten. ‘Happy Life Hacks 365: 100 no-nonsens tips en tricks voor een leuker leven’. ‘Gelukkig worden doe je zo’. ‘Vergroot je zelfvertrouwen’. ‘Overwin je faalangst’. ‘Doorbreek je depressie’. ‘Stap voor stap je angst overwinnen’. ‘Nooit meer burn-out’. ‘Omgaan met borderline’. ‘Je kunt je leven helen’

Het omringd worden door torenhoge stapels zelfhulphandleidingen knaagt wat aan me. Hun massale aanwezigheid lijkt iets te zeggen over hoe men binnen onze samenleving naar de mens kijkt. De mens en diens geluk als maakbaar. Als we maar hard genoeg (aan onszelf) werken, hard genoeg ons best doen, dan komen we er wel, dan zullen we gelukkig zijn.

Vaak komen mensen me in de praktijk bezoeken met de verwachting ‘tips en tricks’ te krijgen die hen helpen groeien naar een betere zelf. Ze komen om te werken aan zichzelf en verwachten van mij een roadmap die hen de weg leidt. Teleurstellend weerklinkt mijn antwoord in hun oren, wanneer ik mijn therapeutisch kader tracht te schetsen. Dat is geen sinecure: mensen, omringd door de maakbaarheidsgedachtes uit boeken, films, series, tijdschriften, kranten, social media, podcasts, …worden plots geconfronteerd met een andere benadering van de realiteit. Een benadering die veel complexer is dan deze ideeën doen uitschijnen.

In deze complexe realiteiten vertoeven we dagelijks als therapeuten. We zoeken erin, worstelen, juichen, vloeken, lachen en pinken soms een traan weg met onze cliënten. Zo dankbaar ben ik om therapeut te zijn. Dankbaar om getuige en deelgenoot te mogen zijn van de verhalen van mijn cliënten. Dankbaar om van hen en met hen te mogen leren.

Toch vind ik mijn job soms zwaar. Als ik dit benoem lijkt dat mensen niet te verbazen. Sterker nog; wanneer er me wordt gevraagd wat ik doe, krijg ik vaak als reactie: ‘Neem je die verhalen dan niet mee naar huis?’ of ‘Ik zou het niet kunnen.’ Of ik krijg een bemoedigende blik en een knik, aangevuld door ‘Chapeau!’. Men gaat ervan uit dat het niet gemakkelijk is om therapeut te zijn.

Het is niet daarom dat ik mijn job als zwaar ervaar. Natuurlijk wegen sommige verhalen door, wanneer de machteloosheid alles overspoelend lijkt te zijn. Wanneer men als therapeut soms hopeloos zoekt naar houvast om staande te blijven in de storm waar we ons met onze cliënten in begeven. Ik voel me echter meer belast met de context waarbinnen we onze job uitoefenen. Een context die van ons en van onze cliënten een quick fix lijkt te verwachten.

Quick. Zo wordt er bijvoorbeeld al lang gesproken over een terugbetaling binnen de geestelijke gezondheidszorg. Voor mensen die op afstand meekijken naar deze beweging, kan ik me inbeelden dat ze dit een gunstig vooruitzicht vinden. Eindelijk zal zorg betaalbaar worden! Het is echter mooi van ver maar ver van mooi. Kort en bondig omschreven: (sommige) cliënten zouden een terugbetaling mogen ontvangen voor vier gesprekken, mogelijks aangevuld door nogmaals vier gesprekken. Op vier à acht gesprekken zou het probleem toch opgelost moeten zijn?

Opnieuw voel ik mijn buik samen krampen en voel ik die knoop zich vormen in mijn maag. Wat zegt deze terugbetalingsregeling over mensen die er langer over doen? Doen zij dan niet genoeg hun best, werken ze niet hard genoeg aan zichzelf? En wat zegt het over hun therapeuten? Zijn zij niet gedreven of vaardig genoeg dat ze er niet in slagen om hun cliënten sneller op weg te helpen?

Fixen. Het probleem oplossen. Ook dat past binnen de heersende aannames. Men gaat naar de therapeut en hoopt om de klachten te verhelpen, om deze weg te werken. Opnieuw hoor ik hierin dat maakbare idee: als ik maar hard genoeg aan mezelf werk, dan lukt het me wel, dan verdwijnt de last en zal ik gelukkig zijn. En als ik hulp inschakel van een therapeut, van een expert, moet het me zeker lukken! De weg naar geluk zal dan tenminste sneller en efficiënter verlopen.

Torenhoge verwachtingen

De knoop spant zich verder aan. Wat zegt dit over mensen die last blijven ondervinden, ondanks therapie? Mensen die niet beter worden? Doen zij dan niet genoeg hun best? En wat zegt dit over hun therapeuten? Zijn zij niet goed in hun vak, dat ze er niet in slagen om hun cliënten van last te bevrijden?

Deze maakbare ideeën stellen torenhoge verwachtingen waar men als cliënt, als therapeut, als mens niet aan kan voldoen. Ze maken het dragen en het verdragen van de last, eigen aan het leven, vaak aartsmoeilijk. In dit schrijven wil ik stilstaan bij mijn bezorgdheid omtrent deze boeken, hun onderliggende, dominante, maakbare ideeëngoed en hun effect op onze beroepsgroep, op ons als therapeut en op hoe wij naar onszelf kijken.

Binnen onze sector sijpelt dit denken namelijk ook door. Meer en meer kom ik trainingen, opleidingen of boeken tegen die hulpverleners helpen om zich te specialiseren in het behandelen van specifieke problematieken. Uitwerkingen van behandelingen voor depressie, angst, dwang, psychose, … Volg een welomschreven werkwijze en je komt er met je cliënten wel! Voor iedere problematiek wat wils! Wat zegt dit aanbod over de zorgsector? Over hoe er over zorg gedacht wordt, naar zorg gekeken wordt?

Bezorgd over mijn oude zelf

Vijf jaar geleden verliet ik de schoolbanken als klinisch psycholoog. Vol enthousiasme ging ik meteen op zoek naar werk. Al snel stootte ik op de moeilijkheid om een job te vinden in loondienst. Ik kwam hierdoor terecht in de wereld van groepspraktijken, de wereld van zelfstandige psychotherapeuten. Een aantal maanden na mijn proclamatie kon ik in zo’n groepspraktijk starten. Daar ontving ik cliënten die werden geconfronteerd met een verscheidenheid aan klachten.

Extreem wankel voelde ik me in die periode. Erg onzeker over mijn kunnen. Op sommige dagen aanschouwde ik machteloos hoe cliënten verdrinken in verdriet, bezwijken onder de ellende en moedeloos worden van de vele hindernissen op hun pad. Wat ik ook zei, welke vragen ik ook stelde of methodieken ik ook gebruikte, de last bleef de kamer ontnemen van alle zuurstof. Met hangende armen en een loodzwaar gevoel kwam ik na zulke gesprekken thuis. Op zulke dagen was mijn interne criticus oorverdovend. ‘Waar ben ik toch mee bezig? Ik bak er niets van!’

Op andere dagen kon ik dan weer getuige zijn van ongelooflijke stappen die in therapie werden gezet. Cliënten die aangaven zich lichter, gelukkiger, beter te voelen. Het leven opnieuw te zien zitten. Sterker nog; uit te kijken naar de toekomst! Glunderend en uit volle borst meezingend met de radio, reed ik naar huis na zulke gesprekken. ‘Zo slecht doe ik het dan toch niet!’. Zulke dagen en daarmee verbonden beelden over mezelf, wisselden zich af aan een razendsnel tempo. Vermoeiend. Slopend zelfs.

Terugblikkend ben ik bezorgd over mijn oude zelf. Bezorgd over het feit dat het welzijn van mijn cliënten erg bepalend was in hoe ik naar mezelf keek als therapeut. En gezien het belang dat we binnen onze samenleving hechten aan ons werk, hoe ik naar mezelf keek als persoon. Zo bepaalde het welbevinden van mijn cliënten grotendeels welke vrouw mijn man aantrof bij het thuiskomen van zijn werk.

Mijn man werkt in de verkoop, voor een bedrijf dat aan andere bedrijven diensten verleent omtrent digitale strategieën en software ontwikkeling. Een heel andere wereld. Hij is echter van mening dat onze jobs niet zo verschillend zijn: we zitten namelijk beiden in een vak waar mensenkennis van belang is. Hij zoekt met zijn klanten waar hun noden en pijnpunten liggen en bekijkt samen met hen hoe hij kan helpen. Hij exploreert met hen welke diensten zijn bedrijf kan aanbieden zodat hun noden ingevuld worden en hun pijnpunten verdwijnen. Sterker nog: zodat hun pijnpunten omgezet worden in krachten!

“Dat is toch net hetzelfde als wat jullie therapeuten doen?” stelt hij dan met een grote grijns op zijn gezicht. Hij weet dat hij me hiermee op stang kan jagen. Toch hebben onze discussies me aangezet om stil te staan bij de overeenkomsten en verschillen tussen wat we doen. En stil te staan bij hoe mensen binnen verschillende beroepscontexten precies aftoetsen of ze al dan niet goed zijn in hun vak.

Zijn we goede therapeuten als wij onze ‘targets’ halen?

In het werkveld van mijn man lijkt het van belang om ‘targets’ te behalen. Deze bepalen mee of verkopers op het einde van het jaar al dan niet recht hebben op een bonus. Deze gedachtegang impliceert dat goed werk samenhangt met goede cijfers. Als een verkoper voldoende deals sluit, heeft hij zijn job goed gedaan en kan hij aan het eind van het jaar misschien een extra financiële verloning verwachten. Een erg resultaatgerichte, meritocratische manier van denken; ‘als ik voldoende hard werk, zal ik mijn targets behalen en recht hebben op mijn bonus.’

Even terzijde: wat impliceert deze manier van denken over verkopers die hun targets niet behalen? Doen zij volgens hun baas dan niet voldoende hun best? Zijn de vaardigheden van een verkoper dan werkelijk de enige factor die meespeelt in het al dan niet sluiten van deals en het behalen van targets?

Daarnaast toetsen verkopers natuurlijk ook op andere manieren af of ze goed zijn in hun job. Zo dragen tevreden klanten bij aan een positief zelfbeeld en zijn mensen wellicht ook gevoelig voor complimenten van hun baas of van collega’s.

Geldt deze resultaatgerichte, welzijnsverhogende, klachtenreducerende denkwijze ook binnen de geestelijke gezondheidszorg? Zijn wij goede therapeuten als wij ‘onze targets’ behalen? Als onze cliënten zich beter voelen, herstellen, groeien? Of als onze cliënten tevreden zijn over onze aanpak en ons becomplimenteren ? En zijn we dus niet goed bezig wanneer cliënten niet beter worden, wanneer hun last dezelfde blijft of zelfs verergert? Of wanneer cliënten ontevreden zijn over onze manier van werken?

Mijn vrees is dat veel mensen hier instemmend op zullen antwoorden. We leven namelijk in een samenleving waar zo’n denken erg dominant is. Bezorgd ben ik dat dit denken tevens heerst binnen de geestelijke gezondheidszorg. Dat therapeuten tevens, onder invloed van dit dominant gedachtegoed, door deze maakbare bril naar zichzelf kijken. De blog van Paul Castelijns (‘De GGZ wordt behandeld, zoals deze behandelt’), onderschrijft dit vermoeden.

Overigens hoor ik mijn man vertellen dat het hem voldoening geeft om zijn klanten uit te dagen om anders te denken. Zo vertelt hij dat klanten soms bij zijn bedrijf aankloppen met verkeerde verwachtingen ten aanzien van hun diensten. Het is best een uitdaging, zo vertelt hij, om samen met de klant te zoeken naar hoe ze toch iets voor elkaar kunnen betekenen. Hij tracht hierbij met de klant diens context te exploreren, te onderzoeken welke weg deze graag zou op willen en te bekijken wat zijn bedrijf hierin kan betekenen. Samen wordt er gezocht naar hoe ze hun samenwerkingsrelatie vorm kunnen geven.

Geen handleiding naar geluk

Deze manier van werken leunt dan weer wél aan bij hoe ik naar therapie kijk. Een plek die reflectie mogelijk maakt en waar ik als facilitator fungeer. Om de woorden uit de bijdrage van Paul Castelijns te gebruiken: ‘”Mijn ambitie is om mensen te ondersteunen in het veranderingsproces dat zij voor ogen hebben.” In dat opzicht moet ik mijn man gelijk geven en sluit deze invulling van zijn job wél aan bij de mijne.

Echter doen we niet hetzelfde, verre van! Als therapeuten verkopen we geen handleidingen naar geluk. Het is van belang om dit te blijven beseffen en onze jobs niet over eenzelfde kam te scheren. Daarin schuilt namelijk het gevaar dat men als therapeut verantwoordelijk wordt voor de uitkomst van therapie. Verantwoordelijk voor het wegnemen van de last en het bezorgen van geluk. Natuurlijk zal ik niet onder stoelen of banken steken dat het een glimlach op mijn gezicht tovert wanneer een cliënt aangeeft zich beter te voelen. Het verwarmt mijn hart als deze tot inzichten en beweging komt. Ik moet me dan soms inhouden om te juichen of om te glunderen.

Het is echter arrogant om te denken dat ik en mijn uurtje in de week, twee weken of maand, ervoor hebben gezorgd dat mijn cliënt het beter stelt. Mijn cliënt kan de lotto hebben gewonnen, aangenomen zijn geweest voor zijn droomjob of de vrouw/man van zijn leven hebben ontmoet. Hij/zij kan ervaringen, groot of klein, hebben opgedaan die volledig losstaan van ons therapeutisch proces. Als therapeut hebben we slechts een beperkte invloed op het leven van onze cliënten. We zijn slechts één van hun vele verbindingen.

“Het heeft dus geen nut dat mensen in therapie komen dan?” hoor ik sommigen denken. Dat is ook weer niet waar. Ik weet het, wij als therapeuten doen moeilijk, we maken het ingewikkeld, complex. Maar dat is omdat de realiteit ook zo is. We bestaan en bewegen in een realiteit waar we onderhevig zijn aan invloeden van een massaliteit aan verbindingen. Therapie heeft wel degelijk invloed op het leven van mensen. Het is echter belangrijk om te beseffen dat het één van de vele invloeden is. Therapie kan onmogelijk verantwoordelijk worden geacht voor het algemene welbevinden van mensen.

Erg kwetsbaar is ons zelfbeeld als hulpverlener bovendien wanneer het afhangt van het welzijn van onze cliënten. Zéker wanneer we de voelsprieten in beschouwing nemen waar, vermoed ik, veel therapeuten over beschikken. Voelsprieten die ons in staat stellen om cliënten fijnmazig aan te voelen. Die ons helpen sensitief te zijn voor de vele (mogelijks drukkende) contexten waarin cliënten zich bevinden. Ze fungeren als een attribuut, een intuïtie, een buikgevoel binnen begeleidingen. Ze helpen ons om invloeden en perspectieven, onzichtbaar voor onze cliënten, zichtbaar te maken. Dit in de hoop dat cliënten er invloed op kunnen uitoefenen en zo tot verandering kunnen komen.

Tegelijk vormen deze voelsprieten een kwetsbaarheid, een valkuil. Ze maken ons als therapeut, maar ook als mens, gevoeliger. ‘Wat niet weet, niet deert.’, remember? Therapeuten zien, voelen en ‘weten’ veel. Deze sensitiviteit kan echter zwaar gaan wegen. Zeker wanneer drukkende invloeden zich vertonen als vage, lastige knopen in de maag. Knopen wiens oorsprong niet meteen duidelijk zijn. Knopen die plots, onverwacht de kop opsteken, zoals op een gezellige kuiernamiddag op de boekenbeurs…

Therapeutische bagage

Vijf jaar geleden, in mijn opstart als therapeut, werkte ik voornamelijk op basis van mijn voelsprieten. Ik liet me leiden door mijn buikgevoel. Om eerlijk te zijn, had ik verder geen idee waar ik mee bezig was. Wat ik voornamelijk had overgehouden aan mijn universitaire loopbaan was de idee dat men als psycholoog niet-weet. Oké goed, men weet niet. En wat nu? Hoe gaat men aan de slag met cliënten? En hoe doet men dit binnen een context die van ons verwacht wél te weten?

Een massaal drukkende invloed waar men overigens, alvorens ons in het werkveld te begeven, niet voor gewaarschuwd wordt en waar ik me toen niet van bewust was. Heel onzeker voelde ik me over mijn kunnen. Had ik mogelijks iets gemist in mijn opleiding? Ik ging zelden naar de les… Misschien kreeg men zulke zaken alleen maar mee in hoorcolleges? Een gevoel van spijt overviel me.

Hopeloos zoekend naar houvast om me staande te houden binnen therapeutische processen, trachtte ik kennis te verorberen. Dit in de hoop om ‘wetend’ en dus meer gegrond te werk te kunnen gaan. Ik kan u zeggen dat ik, in het jaar van mijn opstart als therapeut, veel geld heb uitgegeven aan de boekenbeurs. Zo vertrok ik bijvoorbeeld naar huis, met op zak met een boek over parentificatie, een boek over burn-out én een boek over borderline, omdat ik op dat ogenblik cliënten begeleidde die worstelden met deze drie thematieken.

Ik voelde me tekortschieten en moest en zou me bijscholen. Helaas werd ik maar al te snel geconfronteerd met de onmogelijkheid om een boek aan te schaffen of een training te volgen voor ieder thema dat zich aandiende in therapie. Binnen één begeleiding alleen al, kwamen er verhalen aan bod die doorvlochten waren van tientallen thematieken. Mijn onzekerheid groeide.

Het feit dat ik aan de slag kon gaan als psychotherapeut, hoewel ik geen idee had waar ik mee bezig was, vind ik problematisch. Het belang van een therapie opleiding was me bij het verlaten van de schoolbanken overigens niet duidelijk. In dat opzicht hebben mijn universitaire studies tekort geschoten vind ik. Nu pas besef ik hoe essentieel deze therapeutische bagage is voor het werken als therapeut.

Het biedt ons een kader waar we ons aan aan kunnen vastklampen in het trotseren van de stormachtige verhalen van cliënten. Een kader dat ons helpt om op een gegronde, standvastige manier te kunnen kijken en luisteren. En dit, ongeacht de problematiek of klachten die zich aandienen.

De veelheid aan problematieken en etiketten binnen onze samenleving leerde ik zien als diverse uitingen van de weg in het leven even, of voor langere tijd, spoor te zijn. Of dit verloren lopen nu het gezicht van depressie, van angst, van dwang of van psychose aanneemt, mijn taak als therapeut bestaat erin om met mijn cliënten de invloeden te exploreren waarbinnen deze klachten begrepen kunnen worden. Dit in de hoop dat cliënten er zo invloed op kunnen uitoefenen; in de hoop dat deze lastigheden draaglijker worden.

De illusie van de roadmap

Het besef dat ik geen handleiding moest aanschaffen voor elke thematiek was een grote opluchting! Ik kon opnieuw ademen. Deze verademing raakt het belang aan van een therapeutisch kader voor therapeuten zélf. Naast een duidelijker beeld van waar men in therapie mee bezig is, biedt het tevens een kader waaraan men kan aftoetsen of men als therapeut al dan niet goed bezig is. Een kader dat ons een alternatief aanbiedt voor de dominante maakbare bril.

Het biedt ons een gloednieuwe, therapeutische bril die, bij het evalueren van ons kunnen, niet kijkt naar het welbevinden van onze cliënten. Pogingen om reflectie te bevorderen bij onze cliënten zullen eerder bepalen of we al zingend of al treurend naar huis rijden. Deze zijn namelijk de pijlers die men meekrijgt in zo’n opleiding en die bepalen of men al dan niet vaardig is als therapeut.

‘De therapeutische bril’ helpt ons dus om niet meegezogen te worden in de illusie dat men als therapeut ‘wetend’ hoort te zijn en over een roadmap dient te beschikken naar geluk. Hij helpt ons om bewust een andere positie in te nemen dan diegene die zo dominant aanwezig is binnen onze samenleving. Om bewust op een andere manier te kijken naar cliënten en naar onszelf.

Erg verschillend is de kijk door deze bril in vergelijking met diegene die ik bij mijn opstart aan had. Een bril wiens kijk me meevoerde in een hopeloze zoektocht naar houvast binnen een groeiend aanbod aan kortdurende, probleemspecifieke trainingen en boeken. Een bril die me als therapeut aanmoedigde om een roadmap aan te bieden aan mijn cliënten en hiermee de illusie van maakbaarheid mee onderhield. Een bril wiens kijk bovendien veel onzekerheid, zelftwijfel en een labiel zelfbeeld met zich meebracht.

‘Dé therapeutische bril’ schrijf ik hierboven, alsof er sprake is van één therapeutische bril. Niets is minder waar. De ‘optiekers’ binnen de zorgsector  beschikken namelijk over een overweldigend gamma aan therapeutische brillen. Het aanbod is duizelingwekkend! Elke bril kleurt op zijn eigen, unieke manier de kijk van diens drager, en biedt dus een andere visie op cliënten, op therapeuten en dus op hulpverlening. Dit diverse aanbod creëert een grote meerstemmigheid binnen de zorgsector.

Deze meerstemmigheid is dubbel. Enerzijds is de regenboog aan gekleurde glazen en de verscheidenheid aan monturen verrijkend: dankzij deze diversiteit kan er op verschillende manieren naar de wereld, de mens en dus naar hulpverlening gekeken worden. Men is gebaat bij zo’n diversiteit, aangezien niet iedere cliënt zich even aangesproken voelt door iedere manier van denken, door iedere visie. Deze meerstemmigheid in de zorg en dus aan zorgverlening, doet recht aan de complexiteit van de realiteit.

Anderzijds heeft deze diversiteit een keerzijde. Door iedere bril ziet men de wereld namelijk anders. Elk wereldbeeld brengt een andere benadering van de wereld met zich mee en dus andere zorg, andere therapeuten. Elke benadering vereist overigens een andere taal, andere vaktermen. Deze multilingualiteit bemoeilijkt soms overleg. Zéker binnen een samenleving waar verschil vaak als bedreigend wordt gezien. Waar het goed wordt geacht om met z’n allen in één richting te kijken, aan hetzelfde zeel te trekken en de neuzen in dezelfde richting te krijgen.

De beeldvorming rond psychotherapie

Het feit dat er geen eenduidig beeld bestaat van ‘psychotherapie’ of van ‘de therapeut’ is problematisch, denk ik. Waar mijn man een meer eenduidig beeld heeft van wat een goede verkoper is, lijkt dit niet het geval te zijn binnen ons beroep. Onze beroepsgroep beschikt, in tegenstelling tot vele andere beroepsgroepen, niet over een duidelijk, breed gedeeld beeld van wat ‘men’ doet. Van wat ‘goed psychotherapeutisch werk’ is. Er is geen algemeen geldende visie of ideologie, noch een breed gedeelde set van waarden en normen. Dit maakt ons als beroepsgroep kwetsbaar.

Pas op, dat is geen pleidooi tegen diversiteit. Dit zou namelijk verzet betekenen tegen de verscheidenheid aan ingangen die men kan nemen binnen psychotherapie, wat een reductie van de complexiteit binnen de zorg zou betekenen. Dat zou leiden tot wat eenzijdige, magere, arme zorgverlening zou leiden. Ik zie eerder een uitdaging voor onze beroepsgroep om op zoek te gaan naar gelijke grond. Om stil te staan bij wat ons allen verbindt en om hierover in dialoog te gaan. Het lijkt me van belang om een breed gedragen en gedeeld narratief te zoeken, te creëren, hoe voorzichtig dat ook mag zijn. Om de beeldvorming rond psychotherapie en psychotherapeuten te verduidelijken. En om haar verschil met andere vakgebieden, zoals psychologie en psychiatrie, te expliciteren.

Voor therapeuten zou een duidelijker beeld als ruggensteun kunnen fungeren. Zo gebeurt het nog (te) vaak dat ik, ondanks de houvast die ik vind bij mijn therapeutisch kader, meegevoerd word met de dominante stroom der maakbaarheid. Dat ik in de rol van adviseur, van wegwijzer naar geluk, beland. Dat ik toegeef aan de druk om een quick-fix-oplossing te voorzien. Het omringd worden door de verwachting dat ik de roadmap naar geluk op zak heb, maakt mijn job moeilijker. De vraag van cliënten: ‘Wat denkt ù dat ik moet doen?’ drukt op mijn schouders. Druk waar ik af en toe onder bezwijk.

Ondanks de steun die ik vind bij mijn team, bij mijn therapeutisch kader, in intervisie en supervisie, mis ik de steun van mijn bredere beroepsgroep. Het formuleren van een narratief waar elke psychotherapeut en elke psychotherapeutische stroming zich achter kan schranken en dit narratief ook verwoorden naar de wereld buiten de zorgsector, zou de druk op mijn schouders aanzienlijk verlichten.

Tevens zou een verduidelijking van ons beroep goed zijn voor onze cliënten, meen ik.  Elke cliënt is erbij gebaat dat zijn of haar therapeut niet afgeleid wordt van diens therapeutisch kader. Vaak zijn quick-fixes die therapeuten, onder druk van deze aannames, aanbieden niet afgestemd op hun cliënten. Alsook impliceert het aanbieden van deze quick-fixes opnieuw de idee dat dingen opgelost moeten worden. En snél! Therapeuten gaan in het aanbieden van kant en klare stappenplannen, ongewild en onbedoeld, deze maatschappelijke druk uitoefenen op hun cliënten. Ze worden zo de spreekbuis van onze dwingende maatschappij. 

Daarnaast hangt een duidelijk beeld van therapie en van therapeuten, ook samen met een duidelijker beeld van cliënten. Als een therapeut ‘niet weet’, komt een cliënt automatisch in een actievere, meer autonome, wetende positie. Als het de taak van de therapeut is om reflectie te bevorderen, impliceert dit dat cliënten zélf in staat zijn om tot verandering te komen. Dat men ervan uitgaat dat ze zélf, mits aanmoediging en ondersteuning, tot deze antwoorden kunnen komen. Dit brengt tegenwind voor de stigmatisering binnen onze samenleving. Een verfrissende en welkome wind die blaast tegen het idee dat mensen ‘gek’ zijn wanneer ze in therapie komen.

Tenslotte vraag ik me soms af wat voor effect het zou hebben als mensen af en toe een vliegje zouden zijn op de muur van mijn therapiekamer. Als ze, af en toe, getuige zouden kunnen zijn van de last dat het huidige maatschappelijk mensbeeld uitoefent op hun medemens. Een mensbeeld dat onrealistische verwachtingen koestert. Verwachtingen die ik telkens opnieuw hoor terugkomen, niet alleen in de verhalen van cliënten, maar ook in de verhalen van familie, van vrienden, van collega’s, van jong en oud. Verwachtingen die veel druk en last creëren. Die bijdragen aan verontrustend hoge cijfers van psychologische problemen binnen onze samenleving.

Zou er meer begrip en steun zijn voor elkaar, moest er meer zicht zijn op de thematieken waar mensen vandaag de dag mee worstelen? Hebben we als zorgverleners niet de verantwoordelijkheid om deze druk, die vandaag de dag vaak binnenshuis blijft, te vertolken naar de bredere samenleving?

Essentiële ingrediënten in de zoektocht naar gelijke grond

Met dit schrijven poog ik de last die ik heb ervaren, en nog steeds ervaar, naar buiten te brengen. Mogelijks ben ik niet alleen? Misschien lopen er nog andere collega’s op de boekenbeurs rond met een knoop in de maag? Indien dit het geval is, hoop ik dat deze knopen ons tot meer bewustwording en dialoog zullen motiveren. Dit lijken me twee essentiële ingrediënten te zijn in de zoektocht naar gelijke grond binnen onze beroepsgroep.

Gelijke grond die het beeld van ons beroep hopelijk kan verduidelijken. Een verduidelijking die ons zal helpen om het vaak scheefgetrokken beeld omtrent therapie en therapeuten, recht te zetten. En die het mogelijk zal maken om ons als beroepsgroep te positioneren ten aanzien van het drukkende mensbeeld dat heerst binnen onze samenleving. Een verduidelijking die, naar mijn mening, uitdagend én broodnodig is.

Het is door mijn eigen, uniek getinte glazen en excentrieke montuur dat ik deze ideeën neerschrijf. Deze reflecties zullen dus zeker niet onderschreven worden door al mijn collega’s. Ze zijn geen representatie van hoe ‘men’ als therapeut denkt en van hoe ‘psychotherapie’ verloopt. Ze representeren mijn visie, mijn bril, mijn ecologie aan ideeën omtrent psychotherapie en omtrent mijn rol als therapeut.

_____

 

Sarah Vanderhofstadt is klinisch psychologe en systeemtherapeute io.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe uw reactie gegevens worden verwerkt.