In Beeld Gebracht – Aflevering 7, met Luc Van den Berge

Kort, bondig en toch altijd méér dan wat ‘popcorn voor de geest’. Dat is het opzet van In Beeld Gebracht. In dit format wordt telkens aan een andere opleider of supervisor van de Belgische Vereniging voor Relatie – en Gezinstherapie en Systeemcounseling gevraagd om een beeldfragment te kiezen. De antwoorden op een korte reeks terugkerende vragen geven samen met het fragment vorm aan reflecties die boeien, prikkelen of ontroeren.

In deze zevende aflevering kiest Luc Van den Berge, systeemtheoretisch en narratief psychotherapeut en opleider, werkzaam in een CGG, en verbonden aan de UGent, aan de groepspraktijk De Luwte (www.luwte.be) en aan de Interactie-Academie, een fragment uit de film ‘Jeder für sich und Gott gegen Allen’ van de Duitse filmmaker Werner Herzog.

_ _ _

Wat is de context van het fragment?

Ik heb een fragment gekozen uit de film The enigma of Kaspar Hauser, met als originele Duitse titel het harder klinkende Jeder für Sich und Gott gegen Allen. De film vertelt in een gedramatiseerde vorm het bekende waargebeurde verhaal van een jongeman die op een pinkstermaandag (26 mei 1828) opdook in de straten van het Beierse stadje Neurenberg. De jongeman had kennelijk zijn jeugd doorgebracht in een kelder, gespeend van alle menselijk contact. In het gekozen fragment zien we hoe zijn ‘pleegvader’ Kaspar helpt om de meest alledaagse dingen te doen: op een stoel zitten, een glas water drinken, soep uit een bord eten met een lepel.

Wat maakt dat je dit gekozen hebt?

In mijn lezing van de film gaat het verhaal op het eerste gezicht over de pogingen van een ‘nieuwkomer’ om zich te integreren in de ‘eigen’ cultuur. Bij Kaspar gebeurt dat ontijdelijk, want hij is al 16 jaar als zijn proces van socialisatie in ‘zijn’ samenleving aanvangt. De regisseur Werner Herzog toont pijnlijk gedetailleerd hoe deze integratie maar zeer ten dele slaagt. Maar de betekenis van de film gaat dieper, of misschien eerder breder, voor mij.

Nadat ik de film ondertussen een vijftal keer bekeken heb, geraak ik er meer en meer van overtuigd dat de film niet handelt over de vreemde en bevreemdende Kaspar Hauser, een rol voor de prima getypecaste Bruno S, maar over ons allemaal. Het is een allegorische voorstelling van de vervreemding die we bijwijlen allemaal kunnen ervaren. Nooit vallen we helemaal samen met onze positie in de samenleving of in onze kleinere kringen (systemen), of met onszelf. Altijd schuurt er wel iets. We mislukken allemaal in onze integratie, we blijven allemaal ook vreemdeling en buitenstaander. En dat is goed, want dat maakt dat die samenleving nooit af is, nooit statisch wordt, maar blijft evolueren. Het vergt wel dat we verdragen dat we allemaal min of meer in een staat van vervreemding leven die in deze film dramatisch wordt uitvergroot.

Hoe is dit fragment voor jou verbonden aan de systeemtheorie of de systeemtherapie?

Ik spreek zelf liever over systeemtheoretische psychotherapie, waarmee ik bedoel dat de systeemtheorie een aantal beelden, metaforen en analogieën biedt die ons als psychotherapeut kunnen helpen om mensen bij te staan, een beetje zoals de pleegvader in het fragment, bij het mens “doen” in vaak moeilijke omstandigheden. Ik beschouw me in de eerste plaats als een therapeut, in de traditie van de Amerikaanse psychiater Harry Stack Sullivan, die beweerde dat menselijke moeilijkheden eerder samenhingen met reële interpersoonlijke omstandigheden (een externe psyche) dan met wat zich binnen de contouren van een ingekapseld zelf bevindt.

Door te spreken over dat interpersoonlijke gebeuren werk je rechtstreeks in op deze niet langer als ‘intern’ opgevatte psychè. Interessant aan het systeemtheoretische model is dat het aan de mens externe samenhangen postuleert, waar die mens mee te maken krijgt, en waarin zij of hij zich in min of meerdere mate integreert.

En dat brengt ons weer bij de film. Door de alledaagse dingen te doen die anderen ook doen in een gemeenschap, door bepaalde praktijken te internaliseren geraakt men ook gesocialiseerd, gaat men erbij horen, en kan men beginnen voelen dat men erbij hoort. In de gekozen scène zien we hoe zijn pleegvader Kaspar initieert in wat het heel concreet in het hier-en-nu betekent om een mens te zijn, om mens te “doen”.

Hoe inspireert het je in je praktijk als opleider of als therapeut?

De film toont Kaspars blijvende verwondering over de wereld, en de blijvende verwondering van de wereld over Kaspar. Hoewel het een sombere en grimmige film is, vind ik die verwondering toch iets moois. In de laatste scène zou je kunnen zeggen dat de verwondering geëlimineerd wordt door de tirannie van de verklaring. We zien hoe een drietal anatoom-pathologen de hersenen van de vermoorde Kaspar onderzoeken en van commentaren voorzien. Niet voor gevoelige kijkers, dit schouwspel. De film eindigt met enkele uitspraken van de klerk, die naar eigen zeggen een mooi protocol geschreven heeft, en vrolijk uit de film huppelt terwijl hij tot zichzelf zegt: “Wir haben endlich für diesen fremdlichen Menschen eine Erklärung.”

Kan er in onze job als therapeut, van welke strekking ook, nog ruimte zijn voor verwondering? Voor datgene wat aan de verklaring ontsnapt?

Therapeuten gebruiken ‘modellen’ die de wereld van de klinische praktijk als het ware al voor-interpreteren. Deze ‘voor-interpretatie’ helpt ons om logica te vinden in de uitdagingen van de klinische praktijk, om coherentie en samenhang te vinden in wat cliënten en wijzelf zeggen en doen. Alle modellen reduceren de complexe werkelijkheid tot iets wat we (hopelijk) wel kunnen overzien. Die vereenvoudigende beweging zit altijd al in de overgang van werkelijkheid naar beschrijving, en a fortiori in de overgang van beschrijving naar verklaring.

Het was Wittgenstein die erop wees dat wij mensen bepaalde soorten verklaringen zeer aantrekkelijk vinden, met name verklaringen van het type ‘dit is eigenlijk alleen maar dat’. (Wittgenstein, 1989, 56) Zo viel Wittgenstein op dat Freud de neiging had om alle droominhouden te reduceren tot seksuele inhouden. Wij zien die neiging nu ook heel sterk terugkomen in (niet toevallig) de vele pogingen om complexe fenomenen te reduceren tot patronen van hersenactiviteiten. Vandaar het triomfalisme van het weten–of denken te weten op het einde van de film.

Systeemtherapeuten spreken soms over het risico om getrouwd te zijn met zijn/haar hypothese, en bij uitbreiding over het risico om getrouwd te zijn met zijn/haar (therapie)model. Men verliest dan het besef dat wij mensen en onze menselijke realiteit, in het bijzonder die van de klinische praktijk, altijd veel rijker en gedifferentieerder is dan onze talige beschrijvingen kunnen bevatten, maar ook dat er altijd meer tussenkomsten en hypotheses te bedenken zijn dan onze modellen ons voorhouden.

Omdat ik vanaf volgend academiejaar onder meer het vak Interpersoonlijke modellen in de psychologie doceer aan de UGent, voel ik een grote verantwoordelijkheid om studenten mee te geven dat theorieën en schema’s, of modellen, altijd de werkelijkheid op een voor ons comfortabele manier vereenvoudigen—ik noem ze wel eens ‘sweet lies’—en dat het vooral belangrijk blijft dat we met een onbevangen, lichtjes verwonderde blik open staan voor het onverwachte dat de ontmoeting met deze mens brengt.

Cecchin hield lang geleden al een pleidooi om onze eerbied voor ons eigen model en hypothesen te limiteren. Als opleiders moeten wij niet te bang zijn over wat er met het therapiemodel zal gebeuren na de opleiding tot psychotherapeut: de integratie van model én de persoon van de opleideling levert altijd een idiosyncratisch resultaat op.

Therapiemodellen of theorieën bestaan niet op zichzelf, als Platonische entiteiten (vormen, ideeën), maar bestaan in hun verwevenheid met personen. Ze geraken tot op zekere hoogte vermengd met onze andere betekenisverlenende achtergronden. Daardoor kunnen ze ook niet niet veranderen. Opleidelingen dienen, zoals Kaspar Hauser, in die zin ultiem dan ook te mislukken in hun integratieopdracht.

We kunnen het leed voor ons, opleiders verzachten door het belang van theorie als theorie te relativeren. Zodat niemand ooit op het idee komt om een theorie of therapiemodel op een mens toe te passen, als een bot instrument. Want die cliënt dient dan in onze theorie te passen. Dat is iets waar ik me als opleider meer zorgen over maak dan bijvoorbeeld over het verloren gaan van de ‘zuiverheid’ van het model.

Kaspar Hauser representeert de vreemdeling en het vreemde in onszelf, datgene wat aan onze interpretatie ontsnapt. Die vreemdheid houdt het risico in van ontmenselijking, de vage dreiging van het geweld van de assimilatie, in de film over het leven van Kaspar Hauser dramatisch verbeeld door zijn gewelddadige dood.

Wie wil je graag dat het volgende fragment kiest?

Ik ben benieuwd naar de keuze van Geert Lefevere.

 

 

32:26 – 36:30

One thought on “In Beeld Gebracht – Aflevering 7, met Luc Van den Berge

  1. Beste Luc,
    Dank voor je masterclass over psychotherapeutische modellen en hoe dit manieren zijn om de werkelijkheid te representeren. De analogie met Kasper, dat we allemaal Kaspers zijn, die ons best doen iets te begrijpen van de ons omringende wereld, vind ik mooi gevonden. Ook over het onderscheid tussen doen en zijn schrijf je verhelderend. Het doet me denken aan de uitspraak van een (Engelstalige) patiënt die, in haar machteloosheid, opwierp dat we naast human doings vooral human beings zijn. Ze refereerde naar het feit dat wie niet actief is in onze samenleving niet meetelt. Wellicht bedoelde jij nog iets anders, nl. dat we maar sociale wezens worden in het doen van het leven, waar ik me zeker bij kan aansluiten. Ik las net nog een knap essay van Vivian Gornick in De Groene waarin ze beschrijft dat de Corona crisis ook een soort van zegening is (geweest), ons in staat stellend ons van onze sociale helpende (doende) kant te laten zien, en die ons bevrijdt van een soort van ‘emotionele anomie’. Ik moest zelf ook even opzoeken wat dit woord betekent, nl. een gemoedstoestand die ons in onszelf opsluit en ons vervreemt van onze omgeving. In het doen vindt men weer aansluiting, vooral in het doen van verheven dingen, het helpen van anderen, ‘de immer opbeurende ervaring deel uit te maken van de gemeenschap van het lijden.’ Zo bekeken is het applaus voor de zorgverleners niet eens zo nodig, omdat het uit zichzelf al zo belonend is.
    Warme groet,

    Philippe

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe uw reactie gegevens worden verwerkt.