Hoe het spreken over, onderdeel is van: wat doet het teamoverleg met de hulpverlening? Deel 2: spreken we over de cliënt of over de hulpverlener?

Binnen de hulpverlening wordt het woord ‘patiënt’ steeds meer geschuwd. Hulpverleners gebruikers steeds vaker het woord ‘cliënt’ of laten zelfs dat woord achterwege tussen wie een vorm van hulp ‘verleent’ en wie die hulp ‘krijgt’.

Ook het collegiaal overleg is daarmee aan verandering onderhevig. Besprekingen zonder de aanwezigheid van cliënten – we hanteren voor het gemak maar even deze term – ondergraven in deze visie immers een echt ‘horizontale’ samenwerking. Dat moet dus anders. Steeds meer teams en organisaties perken daarom teamoverleg zonder cliënten in of bespreken enkel nog mét hen hoe de hulpverlening eruit moet zien.

We juichen de huidige aandacht voor het teamoverleg toe. Immers, dit overleg heeft veel impact op de hulpverleningspraktijk. De ommezwaai die nu wordt gemaakt is echter soms wat te drastisch en ongenuanceerd. Verlopen alle teamvergaderingen dan telkens hetzelfde? Zijn alle hulpverleningscontexten aan elkaar gelijk? Leidt het overleg zónder cliënten automatisch tot ongelijkwaardigheid en mét cliënten linea recta tot gelijkwaardigheid?

Wanneer teams van hulpverleners met elkaar overleggen, voeren ze heel gevarieerde types gesprek. Daarmee is ook de invloed van het teamoverleg op het hulpverleningsproces bijzonder gevarieerd. Daarom moeten we ons de vraag stellen: hoe beïnvloedt het teamoverleg dat hulpverleners voeren – met en/of over cliënten – nu precies de samenwerking? En wanneer we daar zicht op hebben: hoe organiseren we dan ons teamoverleg? En wanneer en waartoe betrekken we cliënten hierin?

We zoeken graag mee naar antwoorden op deze vragen en willen hulpverleners ondersteunen om de wisselwerking tussen het teamoverleg en de hulpverleningspraktijk te onderzoeken en eventueel bij te sturen. Zelf hebben we een achtergrond als teamlid, maar ook als procesbegeleider, supervisor en opleider. Op basis van onze ervaring en analyses, stellen wij voor dat het teamoverleg zo georganiseerd wordt dat hulpverleners manoeuvreerruimte ervaren in hoe ze beslissingen nemen, waar ze hun beslissingen op baseren en waar ze tijdens het overleg aandacht aan besteden.

Deze stelling werken we uit in een aantal bijdragen. Centraal staat een driedimensionale ordening die zichtbaar maakt op welke ‘assen’ het teamoverleg doorgaans gesitueerd wordt. Wanneer en waartoe we cliënten in overleg betrekken wordt in een laatste blogbijdrage geëxploreerd.

Deze ordening ziet er als volgt uitOnze eerste bijdrage richtte zich op de eerste dimensie: de as tussen hiërarchische en collaboratieve besluitvorming. In deze tweede bijdrage bespreken we de as tussen de aandacht voor de cliënt en de aandacht voor de hulpverlener.

De begeleider en de cliënt

Soms is het moeilijk voor hulpverleners om hun cliënt te (blijven) begrijpen of om te weten hoe ze het zelf stellen in een begeleiding. Ook cliënten kunnen zich afwisselend bezighouden met de vraag ‘hoe gaat het nu met mij?’ en ‘hoe gaat het nu met mijn hulpverlener?’ Tijdens teamvergaderingen staan we dus voor een keuze. Richten we ons op hoe het met de cliënt of hoe het met de hulpverlener gaat?

Tijdens een wekelijks teamoverleg licht een mobiel begeleider in de psychiatrische thuiszorg toe in wat voor hachelijke situaties zijn cliënt Sophie die week is terecht gekomen. Zijn collega’s luisteren aandachtig. Heel het team lijkt de ernst van de zorgen en de zwaarte van de begeleiding mee te voelen en mee te (ver)dragen.

Wanneer het niet goed gaat met Sophie slaat ze namelijk op ‘de vlucht’. Ze gebruikt verdovende middelen, verwondt zichzelf of doet suïcidepogingen. Soms belandt ze bij een minnaar die haar mishandelt, soms is er een zoveelste opname. Dit met alle gevolgen van dien voor haar, haar partner en haar kinderen. Ook voor haar begeleider is het dan alle hens aan dek: vaak verdwijnt Sophie van de aardbol en heeft niemand nog weet van waar ze is. Al jaren tracht Sophie samen met anderen om de hindernissen in haar leven te trotseren, maar tijdens deze episodes lijkt al dat werk onmiddellijk in rook op te gaan.

Een ervaren lid van het team schraapt zijn keel, buigt zich richting zijn collega en zegt met zijn ruwe, warme stem: “Hou jij het eigenlijk nog wat vol?”

Hoe gaat het met de hulpverlener?

“Het klopt dat ik de laatste tijd alsmaar meer met tegenzin voor Sophies deur sta”, zegt de begeleider. “Ik zie op tegen onze gesprekken. Eerlijk gezegd, wanneer Sophie afbelt of nog maar eens van de aardbol verdwijnt, overvalt me naast een gevoel van bezorgdheid ook een gevoel van opluchting.”

Het team laat de begeleider eerst ‘op verhaal komen’. Het overleg vult zich met de woorden en de sfeer die weergeven hoe hij op dat moment in deze begeleiding staat. Nadien nemen ook verschillende collega’s het woord. Met hun opmerkingen en vragen gaan ze, ieder vanuit eigen ideeën, in op wat ze vermoeden dat er bij hun collega speelt.

Zo kent de coördinator deze begeleider als iemand die een voorkeur heeft voor confrontatie. Hij geeft aan dat het hem ingewikkeld lijkt voor de begeleider om zich hier keer op keer confrontatie vermijdend te moeten opstellen. Een andere collega is nieuwsgierig naar hoe zijn recent vaderschap de begeleider beïnvloedt. En een derde collega stelt dat, wanneer je als begeleider graag een helder beeld hebt over ‘Wat doen we hier juist samen? en ‘Waar willen we samen naartoe’, het knap lastig is om zulke onduidelijkheid in begeleidingen te verdragen.

Doorheen deze vragen en bedenkingen voelt de begeleider een gewicht van zijn schouders vallen. De reflecties van zijn collega’s lijken het voor hem begrijpelijk te maken wat er zoal toe bijdraagt dat hij met zoveel tegenzin voor Sophies deur staat. En waarom hij zich opgelucht voelt als hij voor een gesloten deur staat en beperkt wordt tot een conversatie met haar antwoordapparaat.

Hoe gaat het met de cliënt?

Deze week hadden Sophie, haar echtgenoot en de begeleider opnieuw een overleg gepland op de school van hun oudste dochter. Sophie ervaart grote spanning bij dat vooruitzicht: ze voelt de argwaan van verschillende instanties meekijken, die steeds luider haar pedagogische vaardigheden in vraag stellen. Afgelopen weken is dit overleg dan ook goed voorbereid.

Die ochtend komt de begeleider toe aan de schoolpoort. Nog voor hij uit zijn wagen kan stappen, gaat zijn telefoon en de naam van Sophies echtgenoot verschijnt op zijn scherm. Bij het wakker worden was Sophie nergens te bespeuren. Alleen ziet de echtgenoot het echter niet zitten om naar het overleg te komen. Hij verontschuldigt zich en hangt op.

Met gloeiende wangen gooit de begeleider de autodeur open en stapt zuchtend de vrieskou in. Op weg naar het overleg. Alleen. Op zulke momenten wordt het moeilijker voor hem om Sophie te begrijpen en haar betrokkenheid en afwezigheid nog helder te maken voor anderen.

In het daaropvolgend teamoverleg luisteren de collega’s van de begeleider opnieuw aandachtig en onderbreken ze hem af en toe. Deze keer belichten ze met hun vragen en opmerkingen een diversiteit aan nieuwe denksporen over Sophies vluchtgedrag.

Zo vraagt iemand zich af hoe vrij Sophie zich voelt om in gesprek met zoveel andere mensen ‘zomaar’ haar standpunt te verwoorden. Een andere collega denkt dat Sophie misschien wel en ook weer niet op dit overleg wil zijn. Op momenten waarop die ambivalentie haar teveel wordt, ziet ze misschien geen andere mogelijkheid dan haar huis te ontglippen. Een derde collega benadrukt dat ‘moeilijk kunnen onderhandelen’ en ‘emotionele overspoeling’ toch kenmerkend zijn voor Sophies moeilijkheden. “Net omwille van die klachten zijn we als mobiel team betrokken en bewandelen we met haar een weg.” Tenslotte vult de coördinator aan en zegt dat Sophie al veel stappen heeft gezet sinds ze als dienst betrokken zijn. Haar netwerk is aanzienlijk toegenomen, ze onderneemt minder suïcidepogingen en korte opnames verlopen veel rustiger. “Dat is toch niet niets!”, stelt ze vol overtuiging. “Niet alleen jij, maar ook Sophie en haar omgeving zijn heel hard aan het werken!”

Hoe beweeglijkheid ‘hier’ bijdraagt tot beweeglijkheid ‘daar’

Het beweeglijk positioneren tussen een focus op de hulpverlener en een focus op de cliënt steunt hulpverleners om de zorg af te stemmen. Teams doen dit door stil te staan bij de invloeden die aan hun collega trekken en duwen en hen soms met fikse tegenzin of grote moeite in een begeleiding doen staan. En daarnaast is er in het overleg veel aandacht voor de cliënt, het willen begrijpen van diens keuzes, manieren van door het leven gaan en in contact met anderen te verschijnen.

In het beweeglijk positioneren binnen deze as wordt de invloed van de hulpverlener en van de cliënt belicht. Afwisselend wordt de houding en het gedrag van de hulpverlener en de cliënt weer gekaderd en verbonden met andere, soortgelijke verhalen. Het proces dat ze samen lopen wordt zo opnieuw zichtbaar.

Wanneer overlegspiralen met ons aan de haal gaan

Het bovenstaande illustreert hoe een gevarieerde focus op de hulpverlener en op de cliënt steunend kan zijn om de complexiteit of samenhang opnieuw te pakken te krijgen en tot nieuwe werksporen te komen die bijdragen aan werkbare verhoudingen tussen hulpverlener en cliënt.

Deze rijkdom aan ingangen op de hulpverlener en cliënt kan echter ook verstarren, onder invloed van dynamieken binnen de hulpverleningsrelatie. Er kunnen parallelprocessen ontstaan waarbij wat er tussen de hulpverlener en cliënt gebeurt evenzeer de overlegcontext binnensluipt en de samenwerkingsrelatie tussen hulpverlener en cliënt verder onder druk zet.

Zo merkt Sophies begeleider op dat de besprekingen omtrent Sophie doorheen de jaren anders zijn gaan verlopen. Zowel Sophies onmacht als die van hem zijn in de kleren van collega’s gaan kruipen.

Bij een overleg ziet de begeleider een collega voorovergebogen zitten, het hoofd verborgen in de handpalmen. Een andere collega wiebelt onrustig op en neer op twee poten van een stoel. Weer een andere collega zit zwijgzaam voor zich uit te staren en schudt het hoofd. Een onuitgesproken vraag doemt op in het hoofd van de begeleider en ongetwijfeld ook in dat van anderen. Is het eigenlijk nog zinvol om deze begeleiding keer op keer opnieuw te bespreken?

De dynamiek die zich tussen hem en Sophie heeft genesteld, lijkt ook een weg te hebben gevonden tussen hem en zijn collega’s. Iedereen lijkt bevangen onder de zwaarte van deze casus. De variatie en creativiteit die anders zo kenmerkend is voor hun overleg lijkt ver te zoeken.

Net zoals de begeleider het zicht verliest op wat hij nog voor Sophie betekent, dreigen zijn collega’s het zicht te verliezen op wat zij in deze overlegmomenten nog voor de begeleider en zijn samenwerking met Sophie kunnen betekenen. Wat de collega’s ook vragen of vertellen: dezelfde soort verhalen komen steeds terug. Samen raken ze ingezogen in een spiraal van machteloosheid. Het overleg dreigt te polariseren.

Het overleg helt over naar de hulpverlener 

Zo kan het voor deze collega’s erg moeilijk worden om nog oog te hebben voor Sophie wanneer ze de begeleider uitgeput en met haperende stem horen vertellen hoezeer de huisbezoeken nazinderen en hem achtervolgen tot in zijn slaap. Ze vinden het steeds moeilijker om hun collega nog te helpen reflecteren over wat goede zorg is voor de cliënt. De aandacht voor de last van de begeleider doet Sophie steeds meer als ziek en lastig verschijnen. Het lukt de begeleider nog amper om Sophie te begrijpen en te begeleiden.

Het overleg helt over naar de cliënt 

Daarnaast is het ook mogelijk dat de collega’s, met hun blik op Sophie, het moeilijker vinden om de gesteldheid van hun collega te blijven begrijpen. Het is ingewikkeld en frustrerend voor hen om te horen dat de hulpverlener wankelt en welke negatieve effecten dat heeft op de zorg voor Sophie. Hun geduld kan opraken: ze stellen zich strenger op en nemen steeds minder de tijd om de invloed van Sophie op de begeleider te verkennen. Ook hier is er een risico dat de vervreemding tussen de begeleider en de cliënt alleen maar groter wordt.

De manoeuvreerruimte tot gespreksonderwerp verheffen

Bovenstaande situaties zijn wellicht herkenbaar en ook begrijpelijk. Teams staan op deze momenten voor de uitdaging om deze verstarring in de manoeuvreerruimte op te merken en tot gespreksonderwerp te verheffen.

Hoe kan het team begrijpen wat er in de overlegcontext gebeurt? Hoe kan het team dat verbinden met wat er tussen de begeleider en de cliënt gebeurt? En wat zou het zeggen over wat er gebeurt tussen de cliënt en het netwerk?

Op een bepaald ogenblik merkt een teamlid op dat ze vastdraaien in het spreken over de geraaktheden van hun collega en het alsmaar minder hebben over Sophie. Dat baart hem zorgen. Zowel voor zijn collega als voor Sophie vindt hij dit niet goed. Hij vraagt zich luidop af wat Sophie hiervan zou vinden. Zou de gesteldheid van haar begeleider haar ook zo bezighouden? Is het misschien interessant om deze lastige teneur niet alleen hier, maar ook in de begeleiding te bespreken?

Wanneer een team onderkent dat er in de overlegcontext een doorgedreven nadruk komt te liggen op de zorg voor de collega of de cliënt lijkt het ons cruciaal dat, wat er in de overlegcontext gebeurt, ook weer een weg vindt tussen de desbetreffende hulpverlener en de cliënt.

Naar aanleiding van dit collegiale overleg zou de begeleider Sophie bijvoorbeeld kunnen vertellen dat zijn team merkt dat het ingewikkeld wordt voor hem om een goede begeleider voor haar te zijn. Hiermee nodigt hij haar uit om mee na te denken over een dynamiek waar zij toe bijdraagt en waar zij of anderen waarschijnlijk ook last van hebben. Hij hoop dat het spreken over het vastroesten helpt om de dynamiek tussen hen weer te verschuiven.

Zo kunnen teams ijveren naar verschuivingen die samenwerkingsrelaties tussen hulpverleners en cliënten bevorderen. Het opmerken én bespreken van polarisatie in aandacht en betrokkenheid helpt hen om deze dynamieken in zowel de hulpverlenings- als overlegcontext een halt toe te roepen, voor ze de samenwerking grondig ondermijnen.

Tot slot

De afwegingen binnen deze as zitten uiteraard op een spanningsveld. De aandacht voor de gesteldheid van hulpverleners is niet steeds te vereenzelvigen met die voor de gesteldheid van de cliënt en omgekeerd. Rigoureuze keuzes voor een focus op de cliënt of de hulpverlener zien we echter als nefast voor het overleg én voor de samenwerking. Bewust en alert omspringen met dit spanningsveld, steeds met het oog op wat dit als effect heeft op de werkrelatie tussen hulpverleners en hun cliënten, is dus een cruciaal ingrediënt voor kwalitatief teamoverleg.

Onze volgende bijdrage zal dieper ingaan op de derde dimensie van de ordening die we als schema hanteren. Het betreft de as tussen respectievelijk regelethiek (wat is omschreven als goed handelen bij cliënten in het algemeen?) en zorgethiek (wat is voor één teamlid goed handelen in relatie tot een enkele cliënt?). Leest u weer mee?

______

Paul Castelijns en Sarah Vanderhofstadt zijn beiden psycholoog en systeemtheoretisch psychotherapeut. Ze werken als stafleden bij de Interactie-Academie, waar zij verantwoordelijk zijn voor het domein ‘psychische en maatschappelijke moeilijkheden’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe uw reactie gegevens worden verwerkt.