Het taboe van vervreemding tussen ouders en kinderen

Enkele weken geleden werd mijn aandacht getrokken door  de titel van een  krantenkop:  ‘Als kinderen scheiden van hun ouders’.  Het artikel blijkt te gaan over ouders die geen  contact meer hebben met hun volwassen kinderen.  De auteur vraagt zich af of dit ‘fenomeen van kinderen die met hun ouders breken raakt aan ‘het ultieme relatietaboe’.  Ze stelt dat dit fenomeen “een blinde vlek in ons hoofd en in de onderzoekswereld” is.

Cijfers tonen aan  dat het fenomeen helemaal niet zo marginaal is als we wel denken. Tussen de zeven en twaalf procent van ouders zouden aangeven dat ze vervreemd zijn van tenminste een van hun volwassen kinderen.  Het artikel laat ouders aan het woord die getuigen van het  enorme taboe dat rust op je kinderen niet meer zien. “Ik vertel het aan niemand”, zegt een moeder, “omdat ik intussen weet wat de mensen dan denken: wat voor een slechte moeder moet je niet zijn dat een kind je de rug toekeert?. De omgeving bekijkt je als een halve crimineel.”

Het gaat dus niet enkel om een groot taboe dat schaamte genereert maar ook over een groot dilemma : wat je ook doet het voelt niet goed, je voelt je schuldig. Je kan niet blijven proberen. Je kan ook niet loslaten.

Schrijnende pijn en groot taboe

Dat flagrant onbegrip en vernietigend oordeel  van de omgeving blijkt in de getuigenissen het meest pijnlijke te zijn.  De omgeving weet er geen raad mee en reageert onhandig met adviezen zoals  “Blijf proberen”, wat het schuldgevoel bij de ouder nog groter maakt.  Of met het advies “Laat het los. Doe alsof je zoon/dochter dood is”, wat niet mogelijk is en als schuldig voelt. Het gaat dus niet enkel om een groot taboe dat schaamte genereert maar ook over een groot dilemma : wat je ook doet het voelt niet goed, je voelt je schuldig. Je kan niet blijven proberen. Je kan ook niet loslaten.

Ik moest gelijk  denken aan een artikel van enkele jaren geleden in de weekendbijlage van dezelfde krant met de titel  ‘Breken met je ouders’ dat hetzelfde thema belicht maar dan vanuit het perspectief van het kind. Daar werd het fenomeen een ‘stille epidemie’ genoemd. Stil omwille van de schaamte en het zwijgen. Epidemie omdat het gaat over een  groeiend fenomeen. En daar las ik over dezelfde taboe’s en dilemma’s waar kinderen mee geconfronteerd worden als ze hun ouders niet meer zien. Zowel ouders als kinderen die elkaar niet meer zien, kampen met dezelfde onrust, schuld, schaamte, ambivalentie  en onzekerheid.

In dat soort geweld  voel ik een groot onvermogen om  de mogelijkheid van  vervreemding en verwijdering  in een ouder –kind relatie onder ogen te kunnen zien, begrijpbaar en plaatsbaar te maken.

Ik herken de schrijnende pijn die ouders doormaken als ze hun volwassen kinderen of hun minderjarige kinderen niet meer zien. Ik herken het grote taboe dat rust op  verwijdering en vermijding in de ouder-kind relatie.  Dat gegeven wordt als zeer pijnlijk en onrechtvaardig ervaren. Het kan zo ondraaglijk en zo machteloos makend zijn dat het mensen aanzet tot geweld.

Ik zie dan voor dat fenomeen woorden opduiken als ‘ouderverstoting’. Ik zie dan mensen  in een kramp schieten met  een dwingende drang en dwang om de ‘scheve’ situatie recht te trekken en een bestaande verblijfsregeling te forceren. Zo worden minderjarige kinderen  dan bijvoorbeeld weggehaald bij een ouder en  gedwongen om te gaan wonen bij  de ouder die ze niet meer wensen te zien.  Soms hebben dit soort acties helaas als gevolg dat de kloof tussen ouder en kind alleen maar groter wordt.

Een nieuw perspectief

In dat soort geweld  voel ik een groot onvermogen om  de mogelijkheid van  vervreemding en verwijdering  in een ouder –kind relatie onder ogen te kunnen zien, begrijpbaar en plaatsbaar te maken.  Waar hebben die zware en felle emoties mee  te maken? Ik denk dat die heftige reacties raken aan de manier waarop we kijken naar de relatie tussen ouder en kind. We hebben ons immers ingeschreven in  de breed gedeelde maatschappelijke opvatting dat de band tussen ouder en kind voor het leven is. Dat is een relatie die blijft.

We voelen direct een soort onbehagen ontstaan  wanneer  woorden als ‘scheiden’, ‘breken’, ‘contactbreuk’, ‘verstoting’  gebruikt worden in de context van een ouder-kind relatie.  Dat zijn woorden die passen binnen de context van een partnerrelatie of werkrelatie of vriendenrelatie,  maar niet binnen een ouder-kind relatie. Er is een verschil met andere relaties dat niet genegeerd kan worden.

‘Contactbreuk’ doet denken aan  gebroken, gedaan, de verbinding is weg.  Dit vloekt met het aanvoelen dat we in een cultuur leven dat het in de ouder-kind relatie gaat om een psychologische betrokkenheid die niet stopt, ook niet als ze stopt.  In die zin is een negatieve of een  vervreemde ouder-kind relatie  nog steeds een ouder-kind relatie. Een collega zei me dat in de context van ouder-kind relaties ‘contractbreuk dan ook een beter woord dan contactbreuk zou zijn: een breuk met een impliciet contract dat niet zo’n realistische verwachtingen creëert over de vorm, invulling en kleur van  een ouder-kind relatie . Dat opent een nieuw perspectief.

Idealistische mensbeelden zijn altijd gevaarlijk.  Ze leggen de absolute lat zo hoog dat die standaard niet te realiseren is maar ondertussen lopen velen ongelukkig rond omdat ze die norm niet halen.

Zou het kunnen dat de ervaring van het taboe en van de dilemma’s de vinger legt op een te smalle en eenzijdige inkleuring van de relatie tussen ouder en kind? Dit taboegevoel zou dan bijvoorbeeld het  gevaar bloot leggen van een te idealistische en normatieve constructie van  de ouder-kind relatie. In films, media, populaire psychologiebladen en ook in hulpverleningsmiddens wordt nogal hoogdravend en romantisch gedaan over de ouder-kind relatie.  Het gonst van de kracht van bloedbanden, de belofte van onvoorwaardelijke liefde en harmonie en  loyaliteit en hechting.

We surfen op golven van kinderen als het hoogste goed, offers doen en alles over hebben voor je kind, de band tussen ouder en kind als de belangrijkste en meest essentiële  relatie van je leven.  Of zoals Schaubroeck  het zegt in haar artikel: “Dat verbond is het priemgetal van de liefde”.

Dergelijk discours kan leiden tot een verstikkende liefdesdwang in de ouder-kind relatie. Idealistische mensbeelden zijn altijd gevaarlijk.  Ze leggen de absolute lat zo hoog dat die standaard niet te realiseren is maar ondertussen lopen velen ongelukkig rond omdat ze die norm niet halen. Een ander gevaar is dat we zo heilig gaan geloven in dat ideaaltype en zo overtuigd raken van hoe het moet dat we ons niet meer kunnen voorstellen dat het ook anders kan.  Bijvoorbeeld dat ouder-kind relaties ook normale en menselijke  relaties zijn , onderhevig aan dezelfde fricties en behept met evenveel misverstanden, eenzaamheid , kwetsuren en tekorten.

De mythe van de volmaakte onderlinge verstandhouding

Volgens dat ideaaltypisch denken zijn begrijpelijke redenen waarom kinderen geen contact meer nemen met ouders: mishandeling en geweld, misbruik, verraad, een kind  benadelen t.a.v. andere kinderen, verslaving, aanhoudend conflict tussen ouders na scheiding. Dan is het sociaal acceptabel dat een kind (of een ouder) kiest voor een stille weg van vermijding en uitdoving van contact als enig haalbare manier om met elkaar om te gaan omwille van de eigen gemoedsrust en leefbaarheid.

Een dergelijk ideaaltypisch denken houdt er geen rekening mee dat geen contact meer tussen ouder en kind  ook voor komt zonder noemenswaardig conflict of hoogoplopende ruzie. Vaak is er zelfs geen aanwijsbare reden te vinden. Ouders met de beste bedoelingen kunnen meemaken dat hun kinderen wegblijven. Het gaat dan om kleine sluimerende dingen: misverstanden, een ander perspectief hebben op gebeurtenissen, andere keuzes maken in het leven,  verschillende gevoeligheid aan een banaal incident, een indruk van er niet bijhoren of van teveel bemoeizorg, een nieuwe partner die niet ‘klikt’ met de familie, een andere levensbeschouwing hebben.

Door de mythe van de volmaakte onderlinge verstandhouding tussen ouder en kind is er weinig oog voor de realiteit dat kinderen en ouders autonome  betekenisverlenende wezens zijn (De Mol, 2008).   Men vergeet dat kinderen andere perspectieven hebben dan ouders: kinderen  beleven en denken per definitie anders dan ouders.  Het is perfect mogelijk dat ouders kunnen denken dat ze een goede relatie hebben met hun kind terwijl hun kind vindt dat het geen goede relatie heeft met de ouders.

Eenzelfde gebeuren wordt verschillend ervaren. Zo wordt ook  in het krantenartikel bijvoorbeeld vermeld dat in een studie 67% van de kinderen zegt dat ze een duidelijke reden gegeven hebben aan hun ouders voor de breuk en meer dan 60% van de ouders zegt nooit een woord uitleg gekregen te hebben…

Minder normatief, minder keurslijf

Ik wil een pleidooi houden om vervreemding tussen ouder en kind te dedramatiseren en te normaliseren

Ik wil hier een pleidooi houden om meer open en luchtig te denken over ouder-kind relaties.  Minder normatief, minder keurslijf. Minder uit één stuk, meer ruimte voor ambivalentie.   Dat zou een groter draagvlak creëren van  steun van de omgeving voor relaties tussen ouders en kinderen die zich anders ontwikkelen dan levenslang hecht en nabij.

Het fenomeen van verwijdering of vervreemding  tussen ouders en kinderen zou minder pijnlijk ervaren worden, mocht er in onze samenleving  ruimte zijn voor een meer variabel denken over vormen van relaties tussen ouders en kinderen.  Er is werk aan de winkel want ik constateer een grote leemte in onze samenleving om een ouder te steunen om ouder te blijven zonder fysiek contact met zijn of haar kind.

Ik wil een pleidooi houden om vervreemding tussen ouder en kind te dedramatiseren en te normaliseren. De relatie tussen ouder en kind is een levenslange beweeglijke constante, ze ontwikkelt en transformeert zich voortdurend.  In iedere ouder-kind relatie zijn er  periodes waar de relatie een eerder negatieve invulling krijgt, waar men elkaar minder of niet nodig heeft, minder in elkaars leven moet zitten, nood heeft aan afstand nemen met al dan niet herstel en terug dichtbij komen. Ook als een kind na jaren terug komt, zal dat vervreemdend zijn: wat moet je dan doen als ouder, kwaad worden of in de armen sluiten?  Het blijft ambivalent. De band tussen ouder en kind, die blijft en daarom voelt die ook vreemd aan.

 

____________________

Lieve Cottyn is klinisch psycholoog en systeemtheoretisch psychotherapeut. Ze werkt als staflid bij de Interactie-Academie.

 

Literatuur

Dekeyser, A., 2013, Breken met je ouders. De Standaard Weekendbijlage.

De Mol, J., 2008.  Systeemtheoretisch Bulletin, 16,3

Schauwbroeck, K., 2018. Als kinderen scheiden van hun ouders. De Standaard  (22febr)

One thought on “Het taboe van vervreemding tussen ouders en kinderen

  1. ik vind het een heel helder artikel en herken er zelf veel in. dedramatiseren werkt wel, merk ik. Ook ik heb geen fysiek contact meer met mijn moeder . ik ben nog wel met haar verbonden in gedachten en gelukkig voelt alles neutraal en op een positieve manier, zodat ik het zo ook tegen anderen kan vertellen. het blijft toch een golf beweging merk ik en de term contractrelatie vind ik een positievere term. men blijft toch verbonden op de een of andere manier, maar kiest 1 van de 2 partijen kiezen ervoor het een andere vorm te geven. Dank voor het inzicht!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *