Doe ik het of doe ik het niet? Werken met tegenstellingen in groepen

Al wie met groepen werkt – of het nu therapiegroepen, teams of opleidingsgroepen betreft – herkent allicht de complexiteit van meerstemmigheid en verschil. Dit is vaak boeiend maar soms ook onoverzichtelijk, verwarrend of zelfs bedreigend. De betekenissen kunnen heel erg verschillen van deelnemer tot deelnemer. Dit geldt zowel voor het deelnemen aan de groep zelf (sommigen participeren graag aan groepen, terwijl het voor anderen telkens weer spannend is) als voor de inhoud die aan bod komt (sommigen vinden het heel interessant, terwijl anderen weerstand voelen).

Door al die verschillen kun je als groepsbegeleider eigenlijk nooit voor iedereen goed doen op hetzelfde moment. De één houdt ervan om te luisteren naar de uitleg van de groepsbegeleider, een ander doet graag oefeningen, terwijl nog iemand anders vooral de ervaringen van andere deelnemers wil horen. Maar soms gebeurt het ook dat er een voor de groepsbegeleider lastige eensgezindheid ontstaat.

“ze hebben geen aandacht voor onze verzuchtingen”

“we kunnen nergens terecht”

“ze laten ons in de steek”

Wanneer meerdere deelnemers zich herkennen in dergelijke benadelingsverhalen of lastervaringen kunnen deze alsmaar sterker worden. Dat kan zeker en vast heel verbindend en erkennend zijn voor de deelnemers. Maar als groepsbegeleider is het niet zo makkelijk te hanteren, laat staan te doorbreken.

Een grote eensgezindheid op benadeling kan maken dat die aanzwelt tot ongekende proporties, waardoor mensen zich soms na een bijeenkomst nog slechter voelen. Bovendien kunnen deelnemers die een andere mening zijn toegedaan worden vertrappeld in deze dwingende eensgezindheid. De rijkdom van het verschil raakt op de achtergrond. Hoe ga je hier mee om?

In deze blog deel ik een ogenschijnlijk kleine ingang die ik al vaak gebruikt heb in het werken met groepen. Ik illustreer het met een voorbeeld uit mijn laatste groep.

Doe ik het of doe ik het niet?

Vele jaren geleden volgde ik een opleiding ‘Thema Gecentreerde Interactie (TGI)’ bij Mieke De Veuster, psychologe en opleidster bij de toenmalige Lodewijk De Raedtstichting. Het was een boeiende vorming over een interessante manier van werken met groepen, het zogenaamde ‘levend leren’. Er zijn mij toen verschillende zaken bijgebleven maar er is één specifiek idee dat ik nog altijd toepas in groepen. Meer concreet gaat het over het inzetten van vragen mét een tegenstelling.

Zo gebruikte ik in groepen reeds volgende tegenstellingen:

“Wat doet je vandaag komen? Wat doet je vandaag wegblijven?” – bij een opleidingsgroep over motivatie. Door hier een vraag met een tegenstelling te gebruiken, daag je mensen uit om twee verschillende perspectieven op te lichten.

“Wat doet je zwijgen, Wat doet je praten”? – bij een groep over rouw. Hiermee geven we aan dat er goede redenen zijn om zowel te zwijgen als te praten.

“Wat vind je moeilijk? Wat vind je boeiend?” – bij de start van een opleidingsgroep . Deze tegenstelling creëert ruimte voor benadelingsverhalen maar ook voor constructieve anekdotes.

“Wat is de impact van het probleem? Wat is je aanpak?” – bij een groep ouders van kinderen met een afhankelijkheid. Deze twee vragen laten  toe om zowel erkenning te bieden voor waar mensen last van hebben maar ook hoe ze er proberen mee om te gaan.

“Wat betekent drugs voor jou? Wat betekent het voor je kind?” – bij dezelfde oudergroep. Het biedt de kans om stil te staan bij de invalshoek van ouders, maar laat ook toe om in te leven in de visie van het kind.

“Wat helpt bij het stoppen met drinken? Wat maakt het moeilijk om te stoppen” – bij een nazorggroep bij mensen met een alcoholprobleem. Deze tweedeling erkent de complexiteit van het stoppen met drinken.

“Wat kom je halen? Wat kom je brengen?” – bij het peilen van verwachtingen in het begin van een groep. Deze tegenstelling gaat ervanuit dat de mensen iets komen halen maar ook altijd iets te bieden hebben en dus het groepsgebeuren zullen beïnvloeden.

In plaats van de verschillen, dilemma’s of ambivalenties tussen mensen te plaatsen (de een vindt zus en de ander vindt zo) met een risico op conflict, normaliseren we de ambivalenties en tegenstrijdigheden in elk van ons door de tegenstelling aan iedereen voor te leggen. Dit geeft op zich al een verbindend effect. Door twee vragen te stellen in plaats van één, structureren we bovendien het gesprek met de insteek “Er was ook nog een tweede vraag”. Deze begrenzing wordt minder persoonlijk aangevoeld als ze vanuit een vooraf gegeven instructie kan vertrekken.

Een recente illustratie 

Ik ben als klinisch psycholoog onder andere verbonden aan een Centrum Geestelijke Gezondheidszorg waar ik ook een groep begeleid van ouders van kinderen die aan de gevolgen van een verslaving zijn overleden. Ik was verrast hoe we in de laatste bijeenkomst wel twee uur zijn bezig geweest met slechts één set tegengestelde vragen. Ik verduidelijk even verder.

De doodsoorzaken van hun kinderen zijn erg verschillend. Soms overlijden ze naar aanleiding van een overdosis, soms betreft het suïcide, een onduidelijke doodsoorzaak of ook moord. De periode van het overlijden van een kind verschilt voor de ouders in de groep, variërend tussen één jaar tot wel veertien jaar geleden. Het gaat meestal over zonen, bij één ouderpaar over een dochter. Het is een open groep die ongeveer zes-wekelijks samenkomt en waar ook nieuwe mensen steeds kunnen aansluiten. Als groepsbegeleider probeer ik de dialoog te faciliteren.

De twee beginvragen voor de laatste sessie waren: “Wat doet je verder gaan? Wat doet je stilstaan bij je overleden kind?” Ik had voor deze vragen gekozen omdat het peilt naar de diversiteit van inzet bij ouders die vaak vele en verschillende uitingsvormen kent. Het viel me op dat de meeste ouders met de tweede vraag begonnen.

Een ouderpaar vertelde dat ze er ook na veertien jaar nog dagelijks mee bezig zijn. Ze gaan elke dag naar het graf. Ze zeggen niet: “We gaan naar het graf of naar het kerkhof”. Ze zeggen: “We gaan naar (voornaam van hun kind)”. Een andere moeder zegt: “Ik sta er elke dag mee op”, terwijl weer een andere moeder aangeeft dat ze er vooral bij stilstaat als ze door iets getriggerd wordt, bijvoorbeeld muziek die aan haar zoon doet denken.

De moeder wiens kind een jaar geleden overleden is, geeft aan dat ze alleen maar kan stilstaan en niets haar doet verder gaan. De andere ouders normaliseren haar antwoord door aan te geven dat het zeer herkenbaar is wat ze ervaart. Er ontstaat een gesprek over het intact laten van de kamer van de overledene, over het al dan niet wegdoen van kledij.

Op de vraag wat hen doet verder gaan, antwoordt het eerste ouderkoppel: “elkaar”. De overleden zoon was hun enig kind. Een andere moeder zegt dat haar andere zoon en de kleinkinderen haar doen verder gaan. De moeder die aanvankelijk niets kon antwoorden op de vraag wat haar doet verder gaan, heeft wel contact genomen met een traumatherapeute voor meer ondersteuning. Ze heeft veel schuldgevoelens omdat ze na verloop van tijd afstand had genomen van haar kind, door de vele problemen die er waren.

Naar aanleiding van de twee vragen ontspint er zich een boeiende wisselwerking die taal geeft aan hun ervaringen. Er ontstaat een context van samen nadenken en spreken. Zo maken ze een onderscheid tussen de “rauwe” pijn in het begin en “de rouw” die na verloop van tijd optreedt. Iemand geeft aan het moeilijk te hebben met de uitdrukking “hoop hebben” omdat de pijn van de ontgoocheling telkens zo groot was in het verleden. Ze heeft meer aan de aanmoediging om “moed te hebben”. Ze voegt eraan toe ergens gelezen te hebben dat in ‘moeder’ het woordje ‘moed’ verscholen zit.

Een vader heeft het er moeilijk mee dat er “moet verwerkt worden”. Hij zegt dat “vlees en afval verwerkt worden, maar niet het verlies van een kind”. Hij kan zich wel vinden in de uitspraak: “ermee leren leven”.

Nu we het over de reacties van de buitenwereld hebben, getuigt een moeder over de uitspraak van haar schoonmoeder die had gezegd: “Ik begrijp je verdriet niet. Je hebt er gans je leven last van gehad en nu hij er niet meer is, heb je verdriet. Hoe kan dat?”. We hebben het over wat steunend is en wat niet.

Een nieuwe tegenstelling doet zijn intrede. Een moeder had ergens gehoord dat er wel woorden bestaan voor mensen die een partner verliezen (een ‘weduwe – weduwnaar’), hun ouders verliezen (een ‘wees’) maar niet voor ouders die een kind verliezen. Er bestaat wel een zelfhulpgroep, Ouders Van Overleden Kinderen, maar dat vond deze groep geen goede naam. Iemand wist dat er een radioprogramma bestaat waar ze namen zoeken voor zaken waar nog geen naam voor bestaat. Misschien daar eens contact mee opnemen? Ze gaan tegen de volgende keer eens nadenken over een passende naam.

Kleine verhalen

Ik heb zelf even met de tegenstelling geworsteld: doe ik het of doe ik het niet om hier iets over te schrijven? Het antwoord heb je ondertussen gelezen. Een ogenschijnlijk kleine invalshoek kan in zijn effecten toch vaak groot zijn.

Mijn belangrijkste hoop is dat deze praktijk om te werken met tegenstellingen anderen kan inspireren in het werken met groepen. Daarnaast hoop ik dat het andere hulpverleners of groepsbegeleiders aanmoedigt om hun kleine verhalen uit de eigen praktijk te delen, om elkaar verder te motiveren en te inspireren in deze soms eenzame job.

Wat dat laatste betreft: welke rem voel je daar bij? En wat prikkelt je om het toch te doen?

 

7 thoughts on “Doe ik het of doe ik het niet? Werken met tegenstellingen in groepen

  1. Dankjewel Thomas voor de inspirerende blog. Heel bruikbaar ook om beweging te krijgen in individuele therapie.Mensen voelen zich vaak vastzitten door een hele ‘groep’ van interne tegenstellingen. Het taboe dat rust op bepaalde meningen kan ook verzacht worden door ze te plaatsen tussen andere meer aanvaarde perspectieven die ook aanwezig zijn.

  2. Merci Tomas om dit te delen. Heel inspirerend en motiverend om te blijven zoeken met mensen om taal te geven aan ervaringen, meningen, gevoelens.

  3. Dag Tomas, in een ver verleden heb ik ook die opleiding TGI gevolgd.
    Misschien heb ik er nog nota’s van.
    Ik herken de eenstemmigheid van de ouders van druggebruikers, ook ik heb in groepen gemerkt dat het risico van mensen die zich na de samenkomst nog slechter voelen bestaat. Een herinnering : 4 ouders kwamen met zware/lastige verhalen over hun drug gebruikend kind, ze versterkten elkaar in de hopeloosheid. Een vraag over wat hen de moed gaf/steunde om verder te doen gaf toen nieuwe zuurstof.
    Vandaag begeleid ik af en toe nog groepen o.a. rond verlies en rouw. Ik gebruik daar ook soms tegenstellingen. Ook in andere contexten denk ik dat tegenstellingen bruikbaar zijn om vastgeroeste denkpatronen vb. ‘ het is altijd zo geweest’ lichtjes te wijzigen. Om over na te denken! Dus bedankt voor je inspiratie. Lieve

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe uw reactie gegevens worden verwerkt.