“Dat is waarschijnlijk weer mijn impostersyndroom.” Zo antwoordt Pieter als ik terugkom op ons laatste gesprek. We spreken over zijn verlangen ergens bij te horen, maar niet te weten waar te beginnen.
Na een lange verkenning had ik hem vorige keer voorgesteld na te denken over de opleiding Politieke en Sociale Wetenschappen, als vrije student. Hij leek geprikkeld en enthousiast. En toch. Geen opzoekwerk. Geen stappen gezet.
Hij had me eerder al eens verteld hoe dat gevoel een imposter te zijn, hem ook was overvallen toen hij in de auto van de rijschool zat, klaar voor zijn eerste les. Hij voelt zich een indringer, iemand die er niet hoort te zitten. Het klopt niet met het beeld dat ‘men’ hem steeds heeft voorgehouden.
‘Men’ ging er van uit dat Pieter nooit zou kunnen leren autorijden. Net zoals ‘men’ had aangenomen dat hij niet verder zou kunnen studeren. Niet zou kunnen werken. Niet zonder begeleiding zou kunnen. Eigenlijk heel veel niet.
Of iemand dat ooit letterlijk gezegd heeft, blijft een open vraag. Maar voor Pieter is het een voelbare realiteit, gekneed door tal van perspectieven op zijn situatie: bijzonder onderwijs, autisme, begeleiding, inkomensvervangende tegemoetkoming en een persoonsvolgend budget. “Mensen hoeven het niet uit te spreken,” zegt hij. “Ik wéét gewoon hoe ze erover denken.”
Ik vraag wat dit impostersyndroom voor hem betekent. Hij zegt me dat hij daar nooit bewust over heeft nagedacht en kaatst de vraag weer terug. “Wat denk jij dat het is?”
In een vlaag van filosofische overmoed vraag ik me luidop af of het impostersyndroom niet een soort emotionele ‘veiligheidsrem’ is die de status quo bewaakt. Voor wie het dan precies zo belangrijk is dat die status quo behouden blijft… dat is weer wat anders.
We spreken over werk en zingeving. Veel mensen halen betekenis uit wat ze professioneel doen. Dat geldt niet voor Pieter, want hij werkt niet. Niet omdat hij lui is. Met enkel een getuigschrift van het bijzonder onderwijs op zak, heeft hij ondervonden dat zijn kansen op een job die aansluit bij zowel zijn noden als zijn interesses en mogelijkheden verwaarloosbaar klein zijn.
Werken omdat het nu eenmaal hoort, ongeacht het soort werk, voelt aan als onrecht. En dat boven op het onrecht dat hij heeft ervaren wanneer hij naar zijn gevoel bestempeld werd met de diagnose autisme. En hoe hij werd gedwongen te functioneren binnen een systeem dat aansluit op de diagnose, en niet op wie hij is, wat hij kan en wat hij nodig heeft.
Mijn filosofische bui houdt aan en ik floep eruit dat een inkomensvervangende tegemoetkoming door velen als helpend ervaren wordt, maar ook lijkt te veronderstellen dat mensen zich zo inschrijven in het discours rondom een handicap.
“Exact!”, zegt hij. “En daar wringt het dus bij mij!”. Pieter zit klem tussen een arbeidsmarkt die naar zijn gevoel geen plaats voor hem heeft, en een systeem waarin hij enkel meer zelfstandigheid kan uitbouwen als hij zich ‘gehandicapt’ laat noemen.
Na ons gesprek blijf ik achter met een dubbel gevoel. Enerzijds hebben we taal gevonden voor zijn worstelingen. Wat hij voelt kunnen we begrijpen vanuit de impact van sociale structuren en maatschappelijke dialogen, en dat lijkt hem te steunen in het onrecht dat hij ervaart.
Anderzijds hoor ik de woorden van een collega door mijn hoofd echoën: “Je doet cliënten geen deugd door ze te laten vechten tegen sociale vertogen.”
Zet ik Pieter nog meer vast in een positie van machteloosheid? Ik wil hem net uitnodigen, misschien zelfs uitdagen, om een eigen positie in te nemen tegenover die sociale vertogen. Maar volstaan woorden en taal om dat te kunnen?
Pieter voelt zich alleen staan in zijn worsteling. Hoewel hij beseft dat er heel wat groepen mensen zijn die zich onderdrukt voelen door wat de norm hen voorschrijft, wil hij niet nog maar eens geassocieerd wordt met ‘minderheidsgroepen’ die samen op de barricades gaan staan. Hij wil erkend worden in wie hij is, gezien worden in wat hij kan en gesteund worden in de richting die hij uit wil.
Ik denk terug aan een essay van Charles Taylor uit 1992, met als titel ‘Politics of Recognition’. Hij beschrijft hoe in onze Westerse maatschappij mensen en groepen in hun zoektocht naar erkenning vaak terecht komen in een spanningsveld tussen de behoefte ‘gelijk’ behandeld te worden en de behoefte ‘gezien te worden in hun uniciteit’.
Ik herken het in Pieters verhaal. Pieter wil zich gezien voelen in zijn ‘anders’ zijn (met een kleine a), zonder dat men hem ‘Anders’ maakt (met een grote A). Hij wil geen uitzondering zijn, geen ‘geval’, geen lid van een minderheidsgroep dat samen ‘op de barricades’ moet. Hij wil gewoon erbij horen, maar dan wel als zichzelf.
