Pijnlijke spreidstanden

FUCK ME is de wat uitdagende titel van een dansvoorstelling die ik op een regenachtige zondagnamiddag in november ga bekijken. De voorstelling is onderdeel van het jaarlijks festival rondom mentale gezondheid van De Singel Antwerpen. In deze festivalweek wordt elk jaar een thema onderzocht via lezingen, voorstellingen en documentaires.

Dit jaar gaat het over de prestatiesamenleving en de ratrace waarin we ons bevinden, onder de titel “Yes you can”. De voorstelling belooft volgens de brochure te gaan over de relatie tussen mens en lichaam, eens dit lichaam uitvalt door pijn en gebreken.

“Wat is de werkelijkheid, hoe en door wie wordt zij geconstrueerd? Ik gebruik de werkelijkheid om het werk te construeren, en tegelijkertijd gebruik ik ditzelfde werk om de werkelijkheid te transformeren. Ik geef er de voorkeur aan de grenzen van de werkelijkheid te forceren, want het is in deze diffuse ruimte dat het poëtische kan verschijnen” (brochure De Singel, 2022).

Aan het woord is Marina Otero, Argentijnse choreografe en danseres (Buenos Aires, 1984). In haar kunstvorm neemt ze zichzelf, haar leven en relaties tot onderwerp. Ze werkt met haar herinneringen, familiegeschiedenis en met verhalen van anderen die ze op haar eigen leven spiegelt. In de voorstelling FUCK ME onderzoekt ze “het verstrijken van de tijd en de sporen die een lichaam bijhoudt. Het bewandelt de grenzen tussen documentaire en fictie, dans en performance, toeval en representatie (Otero, 2022)”.

Die zondag raak ik gefascineerd door wat ik heb gezien. Ik heb deze voorstelling bekeken als een onderzoek van de relatie tot het lichaam en tot anderen met wie we ons moeten verhouden in het omgaan met dit lichaam. In deze bijdrage wil ik toelichten wat ik ervaren heb en wat de systeemtherapeut in mij zo heeft geboeid.

Contrasterende lichamen

De voorstelling gaat over de choreografe zelf, die na meerdere rugoperaties niet meer kan dansen. Vijf dansers zullen haar choreografie uitvoeren, ze doen wat Otero zelf niet meer kan. Zelf zit ze aan de zijkant van de scène en vertelt ons haar verhaal. Over hoe ze als patiënt haar gevoel van eigenheid verloor, in een lichaam dat na de operatie en revalidatie niet meer het hare was. Over hoe de kille en klinische prikkels van een ziekenhuisomgeving haar niet konden inspireren voor haar werk. Ze spreekt over de mentale pijn, de pijn rond wie ze geworden is en niet wil zijn.

De voorstelling start met vijf naakte mannen die demonstreren wat het lichaam van een danser kan en moet kunnen. Krachtige, soepele, bewegende lichamen. Mannen die de grenzen van het lijf opzoeken. Pijn schijnt hen niet te hinderen. Ze staan in schril contrast met de choreografe. Zij is fragiel, kwetsbaar, beweegt zich stram en stijf over het podium, terwijl ze verder uitlegt wat haar overkomt. Ze is herhaaldelijk neergekomen op haar rug, wat leidde tot onophoudelijke lichamelijke pijn.

Waar de dansers tonen dat pijn hen niet hindert, is het bij de choreografe net omgekeerd. Haar lichaam stopt, verkrampt, belemmert en begrenst. En dat is nieuw en onleefbaar voor haar.

Op de achtergrond zien we in filmfragmenten de danseres in andere tijden. Ze deed wat de naakte dansers nu voor ons doen: springen, zich laten vallen, op de rug, vanuit een spreidstand, zonder dat pijn haar lijkt te stoppen. Het voelt ongemakkelijk aan om zowel te kijken naar de invalide vrouw aan de ene kant, ooit danseres, en naar vijf naakte atletische dansers aan de andere kant.

Op de scène ontvouwt zich een gelaagde ervaring: het verleden in de filmfragmenten, het heden in de performance van de dansers en de choreografe, de poëzie die voorgedragen wordt en de melancholische Argentijnse muziek. En daar bovenop: het bewustzijn van ons eigen kijken, als publiek.

We kunnen niet anders dan onszelf de pijn voorstellen. Pijn die te verdragen is en sterk maakt bij de dansers en pijn die alle beweeglijkheid verstilt en doet verkrampen bij de choreografe. We voelen tegelijk bewondering voor wat de dansers kunnen, en medelijden, schaamte, schuldgevoel naar Otero zelf. En eens de relaties tussen tussen dansers en choreografe vorm krijgen, neemt de complexiteit nog verder toe.

Otero en haar alter ego’s

“Mijn lichaam stopt, en weigert te doen wat ik ervan verlang”, aldus Otero. Ze doet beroep op andere lichamen: stevig en gezond. Dit gaat haar echter niet altijd goed af. Ze is niet vriendelijk, niet meegaand. De dansers dragen allen dezelfde naam, Pablo, genummerd van 1 tot 5. Otero geeft hen de naam van één van haar vroegere minnaars, alsof ze geen eigenheid hebben.

Otero zet de mannen elk neer als één van haar ‘ikken’. En daarin transformeert ze de werkelijkheid: “ik kan het nog wel, want anderen kunnen het voor mij doen”. Maar ook dat gaat niet zonder pijn; ze wil graag bepalen wat deze mannen voor haar kunnen zijn: steun, minnaar, boodschapper, trooster.

Ze lijkt dit zeer eenzijdig te willen beslissen: “fuck me, vrij met mij, laat me vrouw zijn en niet enkel een invalide die niets meer kan”. De naaktheid van de dansers laat hen verschijnen als onderwerp van haar verlangen. Het worden lustobjecten, fragiel in hun bestaan.

Naast de virtuositeit van het begin tonen de dansers echter gaandeweg ook meer hun eigen pijn en last. Ze zijn meer en anders dan de ‘ikken’ van Otero. Tussendoor geven ze kleine opmerkingen over zichzelf en over hun positie in de groep. “Zij luisteren niet naar mij”. “Ik ben de jongste en hij de oudste”. “Ik spreek vijf talen, de anderen alleen Spaans”.

Of ze vertellen over hun relatie met het lichaam. Eén van de mannen is bijziend, bijna blind. Hij legt uit dat dit er hem toe dreef een atletisch en fors lichaam te ontwikkelen via training. “Het zelfvertrouwen zit nu in mijn schouders” – suggererend dat het daar hangt en geen deel van hem uitmaakt. Een andere, oudere danser getuigt dan weer over het ouder wordend lichaam, over wat hij niet meer in de spiegel wil zien, over het eerste sterven in het besef dat je jeugd onherroepelijk voorbij is. Over hoe het lichaam hierbij de wrede boodschapper is voor de geest.

De krachtige, soepele lichamen verbergen de kwetsbaarheid en eigenheid van deze mannen. En het fragiele lichaam van de choreografe verraadt weinig over haar kracht en autonomie.

Bewogen toeschouwers

De dansvoorstelling is de creatie van een andere werkelijkheid, het samenspel van dansers en choreograaf. Die laatste zit mee op scène, beveelt, vertelt, en beweegt over het podium. Er ontstaat een relatie met het publiek. Niet sprekend of dansend, maar wel via de ervaring. Het publiek wordt geraakt, door de bewegingen, de muziek, de teksten van Otero en van de dansers. Verdriet, weemoed, spijt en pijn, medelijden en ook bewondering en adoratie golven door mezelf en ook door de andere toehoorders heen.

Geleidelijk aan verandert de relatie tussen Otero en haar ‘ikken’. Otero commandeert, is boos en eisend. De dansers weten niet wat de relatie tot de persoon voor wie ze dansen zal zijn. Nu eens spiegelen ze wat we in de filmpjes zien, dan weer kronkelen ze, verpakt in grijze plasticvuilniszakken, als wormen over de scène. Of ze tonen zich als slaven, kruipend achter elkaar, hun hoofd verborgen in een panty die hun lichamen verbindt.

Dansers en choreografe raken steeds meer kwijt wie ze voor elkaar zijn: minnaars, agressors, troosters, verzorgers. De verwarring is voelbaar. Ik zit op de tweede rij en zie en voel het verdriet van de dansers en van de choreografe. Het is de eerste keer dat ik moet huilen tijdens een dansvoorstelling. Aan het gesnik te horen rondom mij, ben ik niet de enige. Otero kijkt ons strak aan: ons medeleven schijnt haar enkel nog meer te verkillen.

Rakende werkelijkheden

Achteraf probeer ik te begrijpen wat me raakt en hoe ik de poëzie heb begrepen die is ontstaan in de diffuse ruimte gecreëerd door Otero. De systeemtherapeut in mezelf en enkele recente hulpverleningsgesprekken komen me te hulp.

Wat ik te zien kreeg, gaat over de relatie tussen iemand die hulpbehoevend is, iets niet meer zelf kan of hulpvrager is en de personen waar we hulp van moeten aanvaarden als dat nodig is, voor wat we zelf niet meer kunnen. Wie hulpbehoevend is, kan ervaren dat het aangaan van een relatie met de mensen die je helpen ingewikkeld, moeilijk of met spanning beladen is. De hoop dat deze relatie wederkerig is of kan blijven, wordt niet altijd ingelost, hoe we er ons ook voor inspannen.

Ik associeer deze aannames met wat ik gezien heb in de voorstelling. Otero schreeuwt uit wat ze verlangt van die mannen, wat ze mist, hoe ze haar kwaad maken. Ze is boos om wat ze niet kunnen zijn voor haar, kwaad omdat haar lichaam definieert hoe ze in die relaties moet staan. Het publiek proeft deze beladenheid en maakt eigen associaties. Mogelijk wantrouwt Otero de mannen en twijfelt ze aan hun intenties. Ze kan gaan denken dat wat ze doen vooral uit eigenbelang gebeurt. Ze is mogelijk ook bang voor wat ze haar kunnen aandoen, nu ze zo hulpeloos is. Ze gaan haar misschien ongewenst aanraken. Of aanranden.

Dit alles kan inderdaad gebeuren, het is soms een pijnlijk onderdeel van de werkelijkheid die zich tussen mensen afspeelt. Ook tussen hulpvragers en verzorgers. De personen die ons helpen zijn geen verlengstuk van onszelf, het zijn personen met eigen verlangens, intenties en noden. Ze hebben eigen kwetsbaarheden, ervaringen en relaties. Net zoals Otero’s dansers, hoe graag ze hen ook als haar ‘ikken’ wil bejegenen.

Anna en Nathalie (*)

Een tijdje na de voorstelling vertelt Anna me tijdens onze sessie dat ze heel bitsig was tegen haar zoon en schoondochter. Zij hielpen haar, nu ze een aantal maanden invalide is wegens een pijnlijke operatie aan de voet. “Ik kaffer hen uit, ik scheld op hen, ik roep. Ik kan het niet hebben dat ze hier de hele tijd zijn. Ik wil hun gelijke zijn en dat ben ik nu niet, het is alsof ze boven mij staan.”

Ze toont met haar armen de ongelijkheid, de ene hand een eind zwevend boven de andere. “Ik weet dat ik vriendelijker moet zijn, maar het gaat niet. Dat gaat pas als we terug zo zijn”. Haar handen komen op gelijke hoogte.

Haar gebaar en wat ze vertelt, brengt me terug naar de voorstelling. Mijn associatie over de mogelijke gedachten van Otero zijn immers geïnspireerd door Anna. Zij vreest dat haar zoon zal profiteren van haar, geld van haar wil aftroggelen, denkt dat mensen nooit zomaar iets doen voor elkaar. En toch kan ze niet anders dan zijn hulp aanvaarden omdat ze het logisch vindt dat hij haar helpt; een goede zoon doet dat. Tegelijk is het geholpen worden een pijnlijke en zorgelijke ervaring voor haar.

Ik denk ook aan Nathalie, die met een kleine invaliditeitsuitkering – vanwege een rugletsel – aan liefdadigheid doet door schoolmateriaal te kopen voor kinderen in armoede. Dat geeft haar een goed gevoel: nuttig kunnen zijn, iets bijdragen aan anderen en aan de samenleving. De mensen uit haar omgeving wantrouwen haar goede intenties, ze stellen vragen bij wat ze doet.

Nathalie voelt dat ze zich moet verantwoorden. Ze voelt aan dat liefdadigheid niet echt past, als je zelf nauwelijks rondkomt. Nathalie ziet zichzelf echter ook als een ontvanger van liefdadigheid. Haar uitkering wordt immers door de samenleving gefinancierd. Dat ze iets wil terug geven en dat dit essentieel is voor het behouden van haar zelfwaarde, kan diezelfde samenleving soms niet als dusdanig erkennen.

Pijnlijk afhankelijk

Wat ik gezien heb in de voorstelling, is de pijn van deze cliënten. Het gaat over lichamelijke, maar ook relationele pijn. Het is de pijn van de interafhankelijkheid, en hoe het lichaam daar onvermijdelijk mee in betrokken is.

Het besef van interafhankelijkheid doet zich pas voelen eens het niet meer vanzelf gaat, als we niet meer ervaren dat we het op onszelf wel klaren. Eens we dit beseffen, is het pijnlijk afhankelijk te moeten zijn. Moeten rekenen op mensen en je tegelijk de hele tijd afvragen op welke manier je je moet verhouden. De benadeling uitschreeuwen en tegelijk het schuldgevoel hebben dat je de mensen die je helpen niet zo mag behandelen.

Dat is ook wat Anna en Nathalie me vertellen: “ik kan niet zonder hulp én ik wil het zonder hulp. Ik wil dat ze me helpen én ik wil ook dat ik er voor hen kan zijn.” Daardoor zijn ze in de war. Net als Otero.

Net als ikzelf, die als hulpverlener mee betrokken ben in deze onvermijdelijke dilemma’s.

_____

(*) Cliëntverhalen zijn geanonimiseerd en onherkenbaar gemaakt.

Referenties

  • Le Personnic W. (vert. Taveirne T.),  2022. Interview met Marina Otero ‘ik wil de grenzen van de werkelijkheid forceren.’ Brochure De Singel. Te raadplegen op desingel.be
  • Website Marina Otero, 2022. www.marinaotero.com.ar

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe uw reactie gegevens worden verwerkt.