photo-gagant-passi

VOYAGE AU BOUT DU CONGO

 

Context is alles wat betekenis geeft. (Gregory Bateson)

 

Ik weet niet hoeveel keer Esther in die paar maanden dat ze in onze voorziening woont na een uitstap niet is teruggekeerd. Het is nauwelijks bij het houden. We melden het aan de politie. We nemen vrije tijd af. We overleggen met consulent en jeugdrechter. Maar hoe we ook proberen om dit zeventienjarige meisje te controleren of om afspraken met haar te maken, het haalt niets uit:

– ‘Ik doe gewoon mijn zin.’

Wanneer Esther de vraag stelt om vanuit Gent op bezoek te gaan bij een vriendin in Luik, kunnen we daar onmogelijk op ingaan: we hebben geen enkel zicht hebben op waar ze terecht zal komen.

Wat kunnen we doen om niet vast te lopen met haar?

En zo komt het dat ik op een zwoele zomerdag met Esther naar Luik ga om daar haar vriendin Kodu te ontmoeten. Vanavond keren we weer terug. Als alles goed verloopt, kan ze de volgende weekends op bezoek bij haar vriendin.

Onderweg vertelt Esther mij verhalen over Congo, waar ze de eerste tien jaar van haar leven heeft gewoond. Ze vertelt vertederd over de achteroom en – tante bij wie ze opgroeit. Als ze stout is, wordt ze nooit geslagen, alleen geplaagd. ‘Likokolo,’ noemen ze haar dan. ‘Klein dikkerdje’. Daarna neemt de moeder van Esther haar mee naar België en wordt haar leven nooit meer hetzelfde.

Esther vertelt dat Kodu niet afkomstig is uit Congo maar uit Ivoorkust. Ik vraag haar waaraan je dat kan merken. Ik verwacht een antwoord over huidskleur of gelaatstrekken. Esther zegt dat mensen uit Congo opener en uitbundiger zijn.

Naarmate we Luik naderen wordt het broeieriger. Mijn T-shirt plakt tegen mijn rug. Er wordt heen en weer gebeld tussen Esther en Kodu. Er wordt heen en weer geschakeld tussen Frans en Lingala. Even ziet het ernaar uit dat Kodu niet zal komen opdagen. Dan is ze er plots toch: slank en lenig, korte geblondeerde haren die fel afsteken tegen haar donkere huid. Een katachtig meisje.

We spreken af om iets te gaan eten. Kodu leidt ons door de stad. We steken de Maas over. De straatjes worden steeds nauwer. We naderen het hart van de stad.

– Hier is het, zegt Kodu.

In het etablissement zitten drie oude, zwarte vrouwen in kleurrijke Afrikaanse gewaden aan een tafel. Kodu en Esther worden hartelijk verwelkomd. Ik hoor dat Kodu één van de vrouwen aanspreekt met ‘maman’ en ik vraag haar of deze mensen familie van haar zijn. Kodu bevestigt dit. Esther schudt meewarig het hoofd: ‘Zie je dan niet dat deze vrouwen Congolees zijn? Kodu is geboren in Ivoorkust, hoe kunnen ze dan familie van haar zijn? Ze zorgen gewoon voor haar, snap je?’ Ik denk dat ik het begrijp, maar de blik van Esther zegt dat ik mijzelf niets wijs moet maken. Maar als één van de vrouwen even later aan Esther vraagt wie ik ben en zij antwoordt dat ik haar ‘bon père’ ben, voel ik mij toch gevleid.

Kodu en Esther bestellen ‘chêvre’ voor mij.

Tijdens het eten krijgt Kodu berichten op haar gsm. Ze wordt onrustig. De gesprekken gaan over de vriend van Kodu die onlangs is neergestoken met een kapot geslagen fles. Ook de oudere vrouwen worden in het gesprek betrokken. De stemmen worden luider. Ik hoor de woorden ‘revanche’ en ‘machete’. Esther heeft me vooraf op het hart gedrukt: ‘Daar waar we naartoe gaan, mag je niet te lang naar iemand kijken.’

De borden zijn leeg. Het geitenvlees met pili-pili en gebakken banaan heeft mij beter gesmaakt dan ik had verwacht. Ik ben Esther dankbaar omdat ze mij heeft willen meenemen naar haar land. Ik voel mij als Kuifje in Congo. Kuifje: de verwonderde journalist op zoek naar een verhaal.

En net op dat moment zegt Esther: ‘Sorry, Danny, maar ik ga niet mee terug naar Gent.’ Ik besef dat ze dit al de hele dag weet. En dat ik het ook had moeten weten. Ik ben er in gelopen. Met wijd gesloten ogen. Ik probeer nog even om haar op andere gedachten te brengen, maar de beslissing is al lang genomen:

– Ik weet wat ik doe.

Ik verlaat het restaurant en ga naar de parkeergarage waar we de auto hebben achtergelaten. Het is nu tropisch warm. Ik ben drijfnat van het zweet. En in de war. Ik bel om overleg te plegen. Ik stap in de auto. Ik zie dat ik mijn rugzak niet meer heb. Ik had hem nog toen ik aan de betaalautomaat stond. Ik keer terug, maar hij staat er niet. Samen met de parkeerwachter doorzoek ik de hele garage. Geen rugzak. Ik ga naar het restaurant. Ook hier geen rugzak. Ik zeg tegen Esther dat ze in Luik mag blijven. Ze voelt zich een beetje schuldig, maar is vooral heel blij. Ze kijkt mij aan met lachende ogen. Onmogelijk om kwaad op haar te zijn. Kleine Likokolo.

Ik ga terug naar de parking. De parkeerwachter roept mij. Een meisje heeft mijn rugzak teruggebracht. De gsm die erin zat, is verdwenen. Ik ga op zoek naar een politiekantoor. Ik dool door de straten. Ik hoor stemmen: ‘Bwana Kitoko! Bwana Kitoko!’. Ik durf niemand aankijken. Ik zie een bloedende man op de grond liggen. Of droom ik?

Ik vind een politiekantoor, dien een klacht in en dan, eindelijk, kan ik vertrekken. Eerst door nauwe, dan door bredere straten. De Congostroom over. Naar huis.

Hoewel het valavond is, wordt het donker als de nacht. Af en toe bliksemschichten die alles doen oplichten. De wolken breken. Het regent zo hard dat ik geen hand voor de ogen zie. De autoradio zegt: ‘Delen van de ring rond Brussel zijn onder water gelopen’. Ik moet plassen.

Ik rijd de snelweg af. Terwijl ik langs de kant van de weg sta, in een mum van tijd drijfnat door de verfrissende regen, zie ik mijzelf staan. En zie ik de onzinnigheid van wat we de voorbije maanden hebben geprobeerd, voorbijgaand aan de context van Esther, niets begrijpend van wat betekenis heeft voor haar. Misschien kunnen we haar beginnen begrijpen als we begrijpen dat we haar nooit helemaal zullen begrijpen.

 

Ik rijd de snelweg weer op.

Voorbij de donkere wolken gloort licht.

 

Danny Keuppens is systemisch counselor & werkt bij vzw Stappen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *