Er woont een dwingeland op de negende verdieping

Eén van de belangrijkste manieren waarop hulpverleners hun vak leren is door de interacties met hun cliënten. De meest complexe of uitdagende werkrelaties creëren soms herinneringen en reflecties die, als we naast het werk van alledag even achterom kijken, mee vorm hebben gegeven aan waar we in onze benadering van mensen voor willen staan. Sommige cliënten neem je dus mee in je werk. Soms blijven ze zelfs al bijna 20 jaar een beetje bij je. Zoals Jimmy.

Als ik begin met werken start ik in de ambulante en residentiële jeugdzorg. Als jonge ouderbegeleider heb ik amper een 10-tal huisbezoeken op de teller. Op de planning: een eerste gesprek bij een vader die door de Jeugdrechter verplicht werd om de zorg voor zijn 3 tienerzoons te laten opvolgen.

Ik heb op voorhand slechts wat schaarse info: vader en moeder zijn gescheiden en moeder zou enkele jaren geleden met de noorderzon verdwenen zijn. Vader huurt op de negende verdieping van een onderkomen appartementsblok een klein appartementje, waar hij samen met de jongens woont. Hij is berucht bij de Jeugdrechtbank omwille van een uitgesproken vijandige houding ten aanzien van alle bemoeienissen. Er is grote bezorgdheid dat hij hetzelfde schrikbewind ook thuis handhaaft, de kinderen emotioneel erg tekort komt en hen ook al verschillende keren fysiek heeft aangepakt.

De lift is stuk en veel te veel trappen volgen. Ik kom toe aan een voordeur die vreemd genoeg open staat. Als ik me door de open deur introduceer hoor ik een stem van ver af “ja”roepen. Ik kom binnen in een erg doorrookte kamer en zie aan de overkant een man zitten met zijn rug naar me. Hij zit op een bureaustoel en speelt een spelletje op de computer. Er is één groot raam dat open staat. De kinderen zouden er moeten zijn (hadden we dat niet aan de telefoon afgesproken?), maar ze zijn nergens te bespeuren. Als ik naar hem toe kom om me voor te stellen onderbreekt hij me. Mijn hand blijft in de lucht hangen.

“Ben jij Willem?”

“Euh, ja hoor, ik ben Willem.”

“Goed. Als het me niet aanstaat, dan ga je langs dáár weer naar beneden.”

Jimmy knikt in de richting van het open raam.

Ik ben zo verbouwereerd dat ik antwoord: “afgesproken”.

De samenwerking loopt niet bepaald van een leien dakje. Jimmy komt me over als een onmogelijke man. De eerste interacties die ik hem zie hebben met zijn kinderen bevestigen trouwens alle informatie die ik over hem heb gekregen. Hij is een bullebak, een dwingeland, een generaal. De gesprekken lopen voor geen meter.

Er zijn nochtans onderwerpen genoeg, want alle partijen rondom Jimmy maken zich veel zorgen over de kinderen, hebben grote last van hem, verwachten dat hij verandert. Tegelijk wordt het gesprek steeds verder afgehouden, uitgesteld, aan mekaar doorgespeeld. Hulpverleners, justiële werkers, schooldirectie, ….we zijn het erover eens dat er met zo’n bruut niets aan te vangen valt. In de schaduw van de samenwerking wordt aan plaatsing gedacht.

In een eerder onverwachte conversatie, verschillende weken later, gebeurt er iets. Jimmy en ik hebben het over de school. Hij heeft een brief ontvangen waarin staat dat hij niet meer toegelaten wordt binnen de schoolpoort, nadat hij de schooldirecteur had geschoffeerd (“Dikzak!”) en bedreigd. Zoals vaker bij Jimmy weet ik weer niet goed wat zeggen. “Dat is lastig”, komt er nog uit.

Jimmy kijkt me aan.

“Lastig?” “Wat is me dat daar toch voor een bullshit. Maar nu heb ik het gevonden, hoor!”

“Wat bedoel je, Jimmy?”

” Serge (zijn jongste zoon, 13 jaar) zwijgt er in alle talen over, maar ik wéét dat hij heel veel gepest wordt. Simon (middelste zoon, 14 jaar) heeft het mij gezegd, maar Serge is altijd zijn tong kwijt. Ik ben mijn verhaal gaan halen bij die dikke (de schooldirecteur), maar dat helpt allemaal niks. Maar nu heb ik het gevonden! Als Serge thuis komt van de school, voor hij zijn boekentas kan neerzetten, por ik hem met mijn vingers tot tegen de muur. En dan roep ik luid: wat is er gebeurd op school vandaag?!? En dan begint Serge te huilen. En dan valt hij in stukjes. En dan begint hij te spreken! En zo zal ik te weten komen wie mijn zoon het leven zuur maakt!!”

Ik sta weer met mijn mond vol tanden en probeer te verwerken wat ik hier hoor. Er is natuurlijk het gedrag van Jimmy, wat je mishandelend kan of moet noemen. Maar voor het eerst hoor ik op de achtergrond ook iets van een wezenlijke betrokkenheid. Een bewogenheid die me raakt. Ik besef dat ik niet alleen de generaal hoor spreken, maar ook de vader.

Ik heb helaas op dit moment nog te weinig ervaring om geduld te hebben met mijn eigen gedachten en flap er dus opnieuw iets uit. Als tussenkomst zou ik het zeker niet aanraden.

“Ik dacht bijna dat jij het niet erg vond om je kinderen zo te kleineren.”

(ik weet het, echt niet goed.)

Jimmy kijkt me verbaasd aan.

Hij pauzeert even, krijgt een frons op zijn gezicht en zegt dan vreemd genoeg op rustige toon:

“Kleineren? Ik probeer ze net groot te krijgen.”

Dankzij deze stuntelige, spontane conversatie verandert er iets in onze werkrelatie. Ik voel hoe het me ademruimte geeft om met Jimmy als vader te spreken. Om dat vaderschap ernstig te nemen, om hém ernstig te nemen als een man die als vader richting wilt geven aan het leven van zijn kinderen. Ook al wijkt zijn ‘ouderschapsarsenaal’ af van dat van de samenleving.

Je zou kunnen zeggen dat ik voor het eerst echt benieuwd word naar Jimmy.

De samenwerking is nooit gemakkelijk geworden, maar wél veel beter. Ik kon steeds beter de ordening maken om niet met Jimmy de bruut te spreken, maar met Jimmy de vader, wat het trouwens ook vlotter deed lopen om hem als vader ook aan te spreken op hoe zijn opvoederschap schadelijke effecten kon hebben op zijn kinderen.

Ik denk echter dat er nog een tweede reden op te noemen is voor het versoepelen van onze werkrelatie. Ik denk namelijk dat hij het ook meer en meer begon door te hebben dat ik het door had. Dat ik snapte dat hij deed wat hij kende of had geleerd en dat hij het deed omdat hij het belangrijk vond. Ik voelde hoe er argwaan verdween en er uitwisseling voor in de plaats kwam.

Als ik achterom kijk heb ik me dus twee vragen leren stellen die richting gevend zijn geworden voor het opstarten of ontmijnen van complexe werkrelaties met ouders.

  1. Kan ik nog zien hoe deze ouder, zoals alle ouders, richting wil geven aan het leven van zijn of haar kinderen?
  2. Zou deze ouder nog ervaren dat ik dat zie?

Merci, Jimmy.

 

———————————————————

Willem Beckers werkt als staflid, opleider en systeemtheoretisch psychotherapeut bij de Interactie-Academie.

 

2 thoughts on “Er woont een dwingeland op de negende verdieping

  1. Prachtig om tijd te geven aan herinneringen van het begin van je carrière, hen terug tot leven te roepen en te overschouwen, hen te bedanken en te delen met een breder publiek!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe uw reactie gegevens worden verwerkt.