Als we ‘moeten’ samenwerken, hoe ‘mogen’ we dit dan nog doen?

In het kader van mijn therapie-opleiding werden we gevraagd om het artikel ‘Collaboratief werken met gezinnen in een gedwongen hulpverlening’ van Mies De Cock te lezen. Ik werkte in een OOOC ( een Onthaal-, observatie- en oriëntatiecentrum in de jeugdzorg) en de paradox uit het artikel is in deze werkcontext heel herkenbaar. Enerzijds is er vaak sprake van een juridisch (gedwongen) hulpverleningskader, anderzijds is de kwaliteit van de hulpverlening sterk afhankelijk van hoe het cliëntsysteem zich gewaardeerd voelt in hun eigenheid en expertise. De auteur gaat met het cliëntsysteem op zoek naar hun mogelijkheden en naar hulpbronnen in de eigen familie en de bredere leefgemeenschap en benadert cliënten hierbij steeds vanuit een bondgenootschap. De Cock gaat daarbij ‘a priori’ uit van de krachten van cliënten.

Het artikel deed me denken aan een voorbeeld van een moeder die gevangen zat in een hoog conflict na scheiding. Moeder vertelde me tijdens een intakegesprek dat ze op een gegeven moment, in een vlaag van frustratie en ongeduld, tegen haar zesjarige dochter riep haar van de trap te zullen gooien indien ze niet zou ophouden met zeuren. Hoewel mijn hypothese was dat ze dit deed om haar contextbegeleidster duidelijk te maken hoe ‘op’ ze was, reageerde deze met de boodschap:  “Maar Sandra toch, zoiets mag je niet doen en kan je ook niet tegen jouw dochter zeggen!”

Wellicht wist moeder wel dat je zoiets niet zegt, laat staan doet. Als we onmiddellijk expliciteren dat zulk gedrag onaanvaardbaar is, verliezen we als hulpverleners snel uit het oog dat ouders doorgaans maar al te goed het onderscheid kunnen maken tussen ‘goed en kwaad’. Daarnaast wordt, door het onmiddellijk innemen van een pedagogische positie, het appel van deze moeder meteen naar de achtergrond verbannen.

Mijn ervaring leert me dat gezinnen onder toezicht van een jeugdrechter de hulpverlener bijzonder gevoelig zijn aan hoe er naar hen wordt gekeken. Hoe wordt er hier gedacht over mijn gezin? is voor hen een dominante vraag. Ik schat in dat moeder zich kwetsbaar opstelt, door toe te geven dat haar draagkracht onder druk staat en ze niet steeds de rust vindt om gepast te reageren ten aanzien van haar dochter. In een dergelijk gerechtelijk kader is het dus van groot belang om een veilig gespreksklimaat te creëren waarin het cliëntsysteem niet veroordeeld wordt. Hoe hulpverleners omgaan met de kwetsbaarheden die zich aandienen, zal immers een effect hebben op hoe de hulpverlening verder uitgebouwd wordt.

De moeder in deze casus voelde zich niet ondersteund en kort daarna strandde ook de contextbegeleiding. Misschien zou het gesprek anders gelopen zijn, als er meer werd vertrokken vanuit de mogelijkheden van moeder en de last die zichtbaar was in haar uitspraak. Als we er vanuit gaan dat moeder zelf weet dat deze uitspraak ongelukkig is en haar steunen om dit te contextualiseren, creëren we een meer uitnodigende dialoog tussen gelijkwaardige partners, ieder met een eigen expertise.

Ook de narratieve benadering van Michael White  inspireert me, om gezinsproblematieken samen met cliënten te externaliseren. We kunnen zo samen exploreren hoe de problemen het gezin in moeilijkheden gebracht hebben en welke dynamieken er zo in gang zijn gezet.

Wat ik ook onthoud én herken na het lezen van dit artikel is dat, onder invloed van een gedwongen hulpverleningskader, de hulpverlener makkelijker gepercipieerd wordt als een expert. Deze perceptie kan bestaan bij zowel het cliëntsysteem als de jeugdrechtbank als de verwijzer, maar soms ook (onbewust) bij de hulpverlener zelf. Mijn ervaring leert me immers dat het risico op het ongewild diskwalificeren van ouders als falende opvoedingsfiguren aanzienlijk groot is. Ook professionals zijn niet vrij van waarden en aannames. Echter, juist bij de hulpverlening in een juridische context, waarbij de cliënt als het ware een hulpvraag opgedrongen krijgt, is het bevorderen van een samenwerkingsrelatie essentieel om van cliënten het mandaat te krijgen tot het aangaan van een hulpverleningsrelatie.

Dit verhaal maakte me waakzaam om zorgvuldig om te gaan met hoe we ons als hulpverlener positioneren in de relatie met cliënten. Als we te normatief, berispend en pedagogisch te werk gaan, riskeren we een diskwalificerend effect ten aanzien van ouders en hun opvoedingsvaardigheden. Een overhaaste pedagogische positie zet de aansluiting tussen hulpverlener en cliënt onder druk, en bijgevolg de relationele basis om constructief te kunnen samenwerken.

 

________

Nizio dos Santos Santiago is psycholoog bij het Agentschap Jongerenwelzijn en werkte als psycholoog en staflid in O.O.O.C Luein.

 

Literatuur

De Cock, M. (2008). Collaboratief werken met gezinnen in een gedwongen hulpverlening. Systeemtheoretisch Bulletin, 26(2),163-190.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *